voc

Zo’n 20 tot 30 procent van de vooraanstaande VOC-functionarissen in India, Ceylon en China was vrijmetselaar.

Tot die conclusie komt kunsthistorica Andréa Kroon in haar promotieonderzoek. Ze dook in de VOC-archieven en in stukken van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden uit de achttiende en negentiende eeuw. Door namen uit ledenlijsten van de vrijmetselaars te vergelijken met namen op de personeelslijsten van de VOC ontdekte ze dat opvallend veel hoge VOC-functionarissen vrijmetselaar waren.

Vrijmetselarij
De vrijmetselarij is sinds 1735 actief in Nederland. Het is een inwijdingsgenootschap. In bijeenkomsten in ‘loges’ in de achttiende en negentiende eeuw werden intellectuele, sociale en rituele activiteiten gecombineerd. Wanneer je als lid werd ingewijd, was je Leerling, Gezel of Meester. De inwijdingsprocedure – die strikt geheim werd gehouden – werd gekenmerkt door symboliek, ontleend aan het bouwvak en het (bijbelse) verhaal van de bouw van de Tempel van Salomo.

Sociaal netwerk
De invloed van de vrijmetselaars in de VOC miste zijn uitwerking niet. Zo werden er vanaf 1757 tientallen plaatselijke afdelingen gesticht langs de handelsroute naar India, Ceylon, Nederlands-Indië, China en Japan. Zo ontstond een invloedrijk sociaal netwerk waar veel reizigers wel lid van wilden worden. Onder de leden was dan ook veel VOC-personeel te vinden: scheepskapiteins, maar ook kooplieden en bevelhebbers in de handelsposten.

Symbolen
Chinese kommen en Japanse lakdozen met daarop vrijmetselaarssymbolen getuigen ervan dat vrijmetselaars een rol speelden in de handel in Chinees porselein en Japan lakwerk. “Uit 18e en 19e eeuwse logearchieven (een loge is een plaatselijke afdeling, red.) blijkt verder dat zowel Europese als Aziatische kunstenaars en ambachtslieden betrokken waren bij de totstandkoming van rituele voorwerpen en ruimtes.” In die ruimtes werden oosterse en westerse invloeden met elkaar vermengd.

In de archieven vond Kroon bovendien bewijs dat vrouwen in de achttiende eeuw in Europa al bestuursfuncties binnen de plaatselijke afdelingen op zich namen. En ook in Batavia zouden vrouwen bij de activiteiten van de plaatselijke afdelingen betrokken zijn geweest. “Het lidmaatschap van Euraziatische mannen was gebruikelijk,” vertelt Kroon verder. “Maar dat van Aziatische mannen volgde pas in de negentiende eeuw, wat verschuivingen in koloniale politiek en de emancipatie van bevolkingsgroepen weerspiegelt.”