Hofnarren, hoge ambtenaren in Egypte en gladiatoren in Rome: kleine mensen laten hun sporen na in de geschiedenis.

Je kent ze misschien wel uit de geschiedenisboeken die je vroeger op school onder je neus gedrukt kreeg: de hofnarren. Mensen van kleine gestalte die aan het hof de lachers op hun hand wisten te krijgen, gedichten voordroegen of muziek maakten. Dat beeld komt bij mij als eerste bovendrijven als ik denk aan de rol die mensen met een kleine gestalte in de geschiedenis speelden. “Maar ze waren zoveel meer dan dat,” drukt de Vlaamse classicus Bert Gevaert me op het hart. En hij kan het weten. Hij deed namelijk uitgebreid onderzoek naar de rollen die mensen met een kleine gestalte in de verre, maar ook recente geschiedenis speelden. Hun verhalen bundelde hij in een prachtig naslagwerk dat hij ‘Het grote verhaal van kleine mensen‘ doopte en dat sinds kort in de winkels ligt. Een boek dat hij naar eigen zeggen “uit ergernis schreef”. “Iedereen heeft een mening over dwergen,” vertelt hij. “Ze worden gezien als grappig en onnozel en niet meer dan dat. En dat wil ik rechtzetten.” Want inderdaad, veel mensen met een kleine gestalte waren ten tijde van de Middeleeuwen actief als hofnar en deden zich dan grappig en soms onnozel voor. “Maar dat was maar gedurende één periode.” En ook in die periode waren de kleine mensen vaak veel meer dan hofnarren. “Zo deden ze vaak ook dienst als vertrouwenspersoon van de adel.” Het is immers niet voor niets dat we de kleine mensen opvallend vaak prominent afgebeeld zien staan op kunstobjecten uit die tijd.

Dwergen

In zijn boek noemt Gevaert de kleine mensen steevast ‘dwergen’. “Ik weet dat dat in Nederland wat gevoelig ligt,” vertelt hij. “Maar het is een algemene term die de lading goed dekt. En ik denk ook dat het erom gaat hoe je ‘m gebruikt. Doe je dat op een minachtende of morbide manier? Of gebruik je het als een technische term om mensen met een kleine gestalte – een hele mond vol – aan te duiden?” De Vlaamse dwergacteur Stijn Keuleers – die het voorwoord van het boek voor zijn rekening neemt – ziet het net zo. “Voor vele mensen met dwerggroei heeft dit woord een negatieve ondertoon. Voor mij niet. In fantasieverhalen zoals Lord of the Rings zijn de dwergen een sterk en trots ras. Zo zie ik mezelf ook: kort maar krachtig.”

Bij de Egyptenaren
In zijn boek gaat Gevaert letterlijk veel verder dan het clichébeeld van de dwerg als hofnar. Zo neemt hij de lezer onder meer helemaal mee naar het oude Egypte. Want ook daar drukten kleine mensen hun stempel op de geschiedenis. Seneb is er één van. Een topambtenaar, in dienst van de farao. Maar liefst twintig titels zijn terug te vinden in zijn graf, waaronder ‘vriend van het paleis’, ‘opzichter van de dwergen die verantwoordelijk zijn voor het linnen’ en ‘leider van de administratie van de kroon van Beneden-Egypte’ en ‘priester van Wadjet’. “Hij werd duidelijk heel erg gewaardeerd en had een heel hoge functie,” vertelt Gevaert. Die hoge functie had Seneb wel te danken aan het feit dat hij klein van gestalte was. Die gestalte – de korte en kromme ledematen en normale romp – deed de Egyptenaren denken aan de mestkever, de incarnatie van de ochtendzon. “Mestkevers staan erom bekend balletjes mest te draaien en uit hun hol te rollen,” schrijft Gevaert. “In die zin deed de kever denken aan het op- en ondergaan van de zon. De gestalte van dwergen was dus geen verstorende handicap, maar een goddelijk voorkomen.”

Hier zie je Seneb, afgebeeld naast zijn echtgenote. De maker van het beeldje heeft er alles aan gedaan om de dwerggroei van Seneb te verdoezelen. Zo zit hij in de kleermakerszit, zodat hij net zo groot is als zijn vrouw. En op de plek van zijn benen staan zijn kinderen afgebeeld. Afbeelding: Jon Bodsworth (via Wikimedia Commons).

Bij de Romeinen
Heel anders was de rol van dwergen ten tijde van de Romeinen. “Bij de Egyptenaren werden ze nog gewaardeerd, maar bij de Romeinen lag de nadruk toch meer op het ludieke karakter van hun gestalte,” vertelt Gevaert. “Tegelijkertijd weten we dat er ook dwergen zijn die opklommen tot adviseurs van de keizer.” In de eerste eeuw na Christus was het keizer Domitianus die een grote rol bedacht voor de mensen van kleine gestalte in zijn rijk. “De keizer was niet zo populair. Terwijl zijn voorganger – Titus – dat juist wel was.” Dat Titus zo populair was onder de bevolking had te maken met het feit dat hij de bouw van het Colosseum voltooid had. Hoe kan Domitianus dat nog overtreffen? “Hij besloot gladiatorenshows te organiseren waarbij de mythologie werkelijkheid werd.” In enkele van die mythes wordt gerept over dwergen die de strijd aangaan met kraanvogels. Domitianus liet uit alle hoeken van het land dwergen aanrukken, leidde ze op tot gladiators, vuistvechters en dansers en maakte de mythes werkelijkheid. “Daar moeten ook dwergen tussen hebben gezeten met andere talenten en zij klommen langzaam maar zeker op tot vertrouweling en zelfs adviseur van de keizer.”

Tweede Wereldoorlog
Maar ook in de recente geschiedenis zijn fascinerende verhalen te vinden over mensen van kleine gestalte. Bijvoorbeeld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Gevaert vertelt erover in een hoofdstuk met de veelzeggende titel ‘De familie Ovitz: de zeven dwergen die Auschwitz overleefden’. Toen de familie in het vernietigingskamp aankwam, werd deze al snel apart genomen door de kamparts, Josef Mengele. “Hij zag een buitenkans,” vertelt Gevaert. “Toen hij de familie Ovitz zag, zou hij gezegd hebben dat hij nu genoeg onderzoeksmateriaal had om twintig jaar mee bezig te zijn. Hij onderwierp de familie aan allerlei vernederende en pijnlijke experimenten. Maar doordat Mengele gefascineerd was door de dwergen, overleefden ze Auschwitz.” De Ovitzen realiseerden zich dat maar al te goed. Perla Ovitz vertelde daar later in het boek ‘In ons hart waren we reuzen’ het volgende over: “Als ik een gezond joods meisje was geweest van 1.70 meter groot, dan zou ik vergast zijn, net zoals de honderdduizenden andere joden van mijn land. Dus als ik me ooit verwonderd afvroeg waarom ik als dwerg geboren was, dan zou mijn antwoord moeten zijn dat mijn handicap, mijn mismaaktheid, Gods enige manier was om mij in leven te houden.”

In het boek van Gevaert komen nog veel meer ‘kleine mensen’ aan bod. En stuk voor stuk hebben ze – ergens in de geschiedenis – grootse dingen gedaan. En dat moet iedereen weten, vindt Gevaert. Daarom schreef hij ‘Het grote verhaal van kleine mensen‘, dat eigenlijk niets anders is dan een ode aan de kleine mensen die door de eeuwen heen hun stempel op de wereld hebben gedrukt. Tegelijkertijd maakt het boek één ding pijnlijk duidelijk. “We zijn een verschrikkelijke soort,” moet Gevaert concluderen. “De dwergen werden al uitgelachen in de tijd van de Romeinen en vandaag de dag gebeurt dat nog steeds. Je zou verwachten een evolutie te zien in de geschiedenis. Maar die is er niet.”