Nieuw onderzoek suggereert dat een enorme hoeveelheid serotonine in ons brein de bijna-doodervaring veroorzaakt.

De bijna-doodervaring is een veelvoorkomend fenomeen. Het overkomt mensen die zeer ernstig ziek zijn en de dood in de ogen kijken. Sommigen vertellen van een helder licht dat ze opeens zien. Anderen treden buiten hun lichaam. Er is al veel onderzoek naar gedaan. Maar een sluitende verklaring is er nog niet.

Welk stofje?
Onderzoeker Alexander Wutzler dacht na over de bijna-doodervaring. Hij vroeg zich af welk stofje in het brein ervoor zou kunnen zorgen dat mensen zo’n bijna-doodervaring op een heel overtuigende wijze meemaken. Hij bedacht dat het stofje serotonine er misschien iets mee te maken zou hebben. Het stofje regelt niet alleen onze stemming, maar is ook nauw betrokken bij het verwerken van geluiden en beelden.

Ratten
Wutzler nam zes ratten en gaf ze een overdosis verdovingsmiddelen, zodat de dieren dood gingen. Terwijl de dieren hun doodsstrijd voerden, keek hij hoeveel serotonine ze in hun hersenen hadden. Hij ontdekte dat de hoeveelheid serotonine tegen de tijd dat de ratten stierven verdrievoudigd was.

Overtuigd?
Wutzler stelt dat serotonine toeneemt in een stervend brein en dat dat mogelijk verklaart hoe een bijna-doodervaring ontstaat. Niet alle wetenschappers zijn even enthousiast over de resultaten. Zo is niet bewezen dat serotonine ook toeneemt in het stervende menselijke brein. Ook is onbekend of ratten het fenomeen ‘bijna-doodervaring’ wel kennen.

Het volledige onderzoek is terug te vinden in het blad Neuroscience Letters.