Wetenschappers hebben een gen ontdekt dat invloed heeft op de consumptie van koffie. Mensen met een DNA-variatie in het gen PDSS2 drinken minder koffie dan anderen.

Volgens onderzoekers vertraagt het gen de afbraak van cafeïne, waardoor cafeïne langer in het lichaam blijft. Dit betekent dat iemand met deze DNA-variatie minder koffie hoeft te drinken om een cafeïneboost te krijgen.

Wetenschappers verzamelde genetische informatie van 370 inwoners in een klein dorpje in het zuiden van Italië. Ze vergeleken de genen met 843 uit zes dorpjes in het noordoosten van Italië. Iedere deelnemer moest een vragenlijst invullen met o.a. een vraag over de dagelijkse consumptie van koffie.

Proefpersonen met een DNA-variatie van het gen PDSS2 drinken gemiddeld één kopje koffie minder per dag.

Het onderzoek is vervolgens uitgevoerd in Nederland. Een groep van 1731 Nederlanders moest dezelfde vragenlijst invullen. De resultaten waren vergelijkbaar met het Italiaanse onderzoek, alleen was het verschil in geconsumeerde kopjes koffie iets kleiner tussen de Nederlanders met en zonder DNA-variant. Waarschijnlijk komt dit omdat Italianen kleinere kopjes drinken – zoals espresso – terwijl Nederlanders grote mokken koffie naar binnen gieten. Deze grotere mokken bevatten hierdoor ook automatisch meer cafeïne, waardoor een Nederland gemiddeld drie keer zoveel cafeïne per kop consumeert dan een Italiaan.

“De resultaten van het onderzoek laten zien dat koffie drinken deels in onze genen zit”, zegt onderzoeker Nicola Pirastu van de universiteit van Edingburgh. “Het onderzoek moet op een nog grotere schaal uitgevoerd worden om de biologische link tussen PDSS2 en koffieconsumptie echt te bevestigen.”