De vissen aan de Princeton University hebben het goed. Hun baasjes ontwikkelden zelfs een videogame voor ze. En terwijl de vissen het spelletje speelden, leren de onderzoekers meer over waarom en hoe vissen samenscholen.

Waarom kiezen vissen er soms voor om zich in groepen voort te bewegen? Wetenschappers vermoedden dat het alles te maken heeft met het feit dat ze ze zich zo beter kunnen beschermen tegen roofdieren. Maar het is lastig gebleken om die hypothese te toetsen. Wetenschappers aan de Princeton University hebben daar nu iets op gevonden.

Experiment
Ze zetten een aantal roofvissen – Lepomis macrochirus – in een bak met water en lieten ze een spelletje spelen. De onderzoekers projecteerden kleine rode stippen – zij vertegenwoordigden de prooi van de roofvissen – op één zijde van het aquarium. De prooien reageerden op elkaar zoals echte prooien dat ook doen. Soms bleven de prooien individueel rondzwemmen. Soms vormden ze groepen. Soms volgden ze andere prooien en soms was er sprake van een combinatie van die drie soorten gedrag. De onderzoekers confronteerden L. macrochirus zo met zestien prooien die dus rondzwommen en spontaan groepen vormden. En de prooi – en dus ook het spel – evolueerde ook. “De baarzen speelden een overtuigend videospelletje waarin ze moesten jagen,” stelt onderzoeker Iain Couzin. “Door de totstandkoming van groepen te laten evolueren, wordt het spel steeds moeilijker voor de jagers, net zoals een videospel zich aanpast aan de strategie van de speler. Op een vergelijkbare manier ontwikkelde onze prooi zich waardoor deze zich steeds beter aanpaste en beter in staat was om de jager te vermijden.”

Groepjes
Uiteindelijk ontwikkelde de prooi de ultieme manier om bij L. macrochirus uit de buurt te blijven. “We weten niet welke regels prooi gebruikt,” vertelt onderzoeker Julia Parrish. “We kunnen naar ze kijken, we kunnen ze volgen en daaruit afleiden wat de regels zijn, maar we weten niet echt wat de regels zijn. Deze studie omzeilt dat probleem en creëert een prooi en vervolgens kijken we wat een echt roofdier doet.” L. macrochirus bleek prooien die groepen vormden, veel minder vaak aan te vallen. Toch was deel uitmaken van een groep niet genoeg om de prooi veilig te houden. Grote groepen die niet bewogen, bleken namelijk nog steeds een grote kans te hebben om aangevallen te worden. Vooral wanneer ze zich op een locatie bevonden waar L. macrochirus graag toesloeg. Wanneer groepen heel gecoördineerd en dus ook vlug door deze gebieden heen reisden, had L. macrochirus geen schijn van kans. Hij moest de prooi laten gaan.

De resultaten wijzen erop dat de vorming van een groep op zichzelf al roofdieren op afstand kan houden. Zelfs wanneer prooien zich niet bewust zijn van de aanwezigheid van een roofdier – zoals tijdens dit experiment het geval was – kan het feit dat ze zich in een groep bevinden ze al beschermen. Dat suggereert dat de totstandkoming van een groep bedoeld is om vijanden op afstand te houden.