Een verfje hier, mozaïekje daar, wat prullaria in een hoekje, drie badkamers, een toilet en minimaal twee slaven om het allemaal schoon en netjes te houden.

Wie op een doordeweekse avond eens langs de verschillende televisiekanalen zapt, kan er niet omheen: de woonprogramma’s. Op de ene zender worden hulpbehoevende klussende mannen uit de brand geholpen, een eindje verderop krijgt een oude boekenkast middels een nieuw likje verf een tweede leven en weer een zender verderop nemen woonstylisten een grachtenpand onder handen. En wie op Tweede Paas- of Pinksterdag in de auto stapt en uitkomt bij de woonboulevard is zelfs ruim voor openingstijd zelden alleen. Het moge duidelijk zijn: het gros van de Nederlandse bevolking vindt een mooi interieur machtig interessant en heel begeerlijk. Maar ook hier geldt: er is niets nieuws onder de zon. Want ook de welgestelde oude Romeinen waren dol op een uitgebalanceerd interieur en stopten er heel wat Romeinse munten in.

Een vloermozaïek. Afbeelding: Rijksmuseum van Oudheden.

Belangrijk
“Het interieur van een woning was voor de hogere klasse ontzettend belangrijk,” vertelt dr. Stephan Mols, als expert op het gebied van de Griekse en Latijnse Taal en Cultuur verbonden aan de Radboud Universiteit en gastconservator van de op handen zijnde tentoonstelling in het Rijksmuseum van Oudheden ‘Casa Romana‘. “Dat interieur was voor hen een manier om hun status uit te dragen.” Elke gast die voet zette in de woning van een rijke Romein wist dankzij het interieur direct met wie hij te maken had. “Het interieur liet zien welke plek een Romein in de samenleving innam.”

Hier zie je hoe zo’n Romeinse stadsvilla er ongeveer uit kon zien. Afbeelding: Tobias Langhammer (via Wikimedia Commons).

In een Romeinse stadsvilla
Zo’n met zorg ingerichte en vormgegeven Romeinse stadsvilla met verschillende vertrekken moet een beleving op zich zijn geweest. “Bij binnenkomst kwam je terecht in een grote ruimte: het atrium,” vertelt Mols aan Scientias.nl. “Gasten die niet heel dicht bij de familie stonden, kwamen vaak niet veel verder van deze ruimte.” De heer des huizes stond deze gasten in het atrium te woord. “Vaak waren het gasten die iets gedaan wilden hebben, ze wilden bijvoorbeeld geld hebben. In ruil daarvoor deden ze dan iets voor de gastheer. Bijvoorbeeld op hem stemmen tijdens de volgende verkiezingen.” Het ontvangen van dergelijke gasten was een dagelijks terugkerend ritueel dat in de ochtend plaatsvond. Aangrenzend aan het atrium bevonden zich de woonvertrekken. Vage kennissen kregen die waarschijnlijk nooit te zien. “Het lijkt aannemelijk dat de deuren dicht waren wanneer de heer des huizes gasten in het atrium ontving.” Anders was het aan het eind van de middag wanneer de oude Romeinen intimi uitnodigden. “Zij werden ontvangen in het atrium en vervolgens dieper het huis in geleid. Vaak kwamen ze dan uiteindelijk uit in de binnentuin waar ze geëntertaind werden: men las gedichten voor of er werd muziek gemaakt. Daarna gingen de gasten in bad.” Om te badderen trok het Romeinse gezelschap soms naar een openbare badgelegenheid, maar de grotere stadsvilla’s hadden vaak een eigen badinrichting. “Vaak waren dat twee of drie aan elkaar gekoppelde kamers met daarin een koud, lauw en warm bad en gingen de gasten van het ene na het andere bad.” Na het bad werd er samen gegeten. “Ook dit alles was een dagelijks terugkerend ritueel,” vertelt Mols. Alleen kwamen de rijke Romeinen niet altijd in hetzelfde huis bijeen. “Ze gingen beurtelings bij elkaar op bezoek. En tijdens die bezoekjes werd er vooral genetwerkt en aan politiek gedaan.”

Romeinse woontrends

Vandaag de dag zijn er verschillende woonstijlen: landelijk, industrieel of modern bijvoorbeeld. Hadden de Romeinen die ook? Niet echt. Maar dat wil niet zeggen dat elke Romeinse stadsvilla er hetzelfde uitzag, zo legt Mols uit. “Er is in een gegeven periode duidelijk sprake van een bepaalde modetrend en die trend werd nauwgezet nagevolgd. Maar er werd ook wel op gevarieerd. Als ik in Pompeii een huis binnenstap, dan heb ik zo’n huis al op twintig andere plekken gezien, maar dan wel elke keer net ietsje anders.”

Persoonlijke touch
De verschillende vertrekken in de stadsvilla werden opgesierd met mozaïeken op de vloer, wandschilderingen op de muur en mooie meubels. Ook was er ruimte voor een ‘persoonlijke touch’. “Zo werden er bijvoorbeeld houten of stenen beelden van de voorouders in het atrium of de aangrenzende vertrekken geplaatst. Dat gaf een idee van wie ooit tot de familie had behoord. Ook was er in het atrium een huiskapel, een klein heiligdommetje met specifieke godenbeelden die door de familie waren uitgekozen. Dat verraadde hoe de familie in het leven en de religie stond.” En op de wanden en vloeren waren soms alledaagse scènes te zien, waarin de heer of vrouw des huizen in voorkwam. “Dan lieten de oude Romeinen zich bijvoorbeeld afbeelden met een schrijftafel of een boekrol om aan te tonen dat ze heel geletterd waren.”

Een Romeinse tafelpoot. Afbeelding: Rijksmuseum van Oudheden.

Slaven
Er werd dus goed over de decoraties in huis nagedacht. Maar wie deed dat eigenlijk? “Ik denk dat het in veel gevallen wel uitging van de huiseigenaar,” stelt Mols. “Maar de uitvoering van de plannen was waarschijnlijk in handen van slaven. Mogelijk waren de belangrijkste slaven of vrijgelaten slaven – slaven die door de heer des huizes tot vrij man waren verklaard, maar er toch voor kozen om voor de rijke Romeinen te blijven werken – verantwoordelijk voor de inrichting.” Het schoonhouden van alle meubels en prullaria van rijke Romeinen kwam sowieso op het bordje van de slaven terecht. “Elke stadsvilla had tenminste twee slaven. In grotere huizen waren er soms nog wel meer.”

Fijn wonen?
Maar was het in die met zorg ingerichte huizen nu ook echt fijn toeven? Het antwoord is tweeledig. “In de zomer, het grootste deel van het najaar en de lente waarschijnlijk wel. De huizen zijn namelijk echt gebouwd om de hitte tegen te gaan.” Maar in de winter was het waarschijnlijk minder prettig wonen in de Romeinse stadsvilla. “Het kan ‘s winters in het mediterrane gebied heel hard regenen en heel koud zijn en dan was het in de huizen waarschijnlijk niet zo aangenaam.” Als er al werd gestookt, dan bleef dat waarschijnlijk beperkt tot één of twee kamers. “Want het verwarmen van die kamers was een kostbare aangelegenheid.”

Opmerkelijke vondsten

In de Romeinse stadsvilla’s zijn ook wel heel opmerkelijke objecten teruggevonden. Wat denk je bijvoorbeeld van een beeldje dat een figuur uit de kring rond de god van de wijn – Bacchus – laat zien. En die figuur in kwestie heeft seks met een geit. “Dat stond dus gewoon ergens in huis,” benadrukt Mols. Ook heel aangrijpend: de vondst van een schommelwiegje in Herculaneum. In het wiegje werden de resten van een kindje teruggevonden dat door de uitbarsting van de Vesuvius om het leven kwam.

Pompeii
Je ziet: we weten anno 2017 best veel over de Romeinse interieurs. Het is te danken aan geschreven bronnen die soms vrij gedetailleerd vertellen hoe de Romeinse huizen eruit zagen. En ook archeologische opgravingen hebben een grote bijdrage geleverd aan onze kennis over het Romeinse interieur. Met name de opgravingen in Pompeii en omgeving. “Die zijn ontzettend belangrijk geweest,” bevestigt Mols. “Want dat zijn de enige plekken die een momentopname laten zien.” Pompeii en omgeving worden in 79 na Christus bedolven onder een meters dikke aslaag nadat de vulkaan Vesuvius uitbarst. Pas vele eeuwen later wordt Pompeii opgegraven. Het is alsof de tijd er stil heeft gestaan: alles ligt er nog bij zoals het er in 79 na Christus bij lag. “Er zijn in Pompeii huizen met meerdere verdiepingen teruggevonden,” vertelt Mols. “Pompeii geeft dan ook een goed beeld van de beleving van zo’n Romeinse stad.” Ook waardevol zijn de opgravingen in Herculaneum, een andere stad die in 79 na Christus aan de Vesuvius ten prooi viel. “Deze stad is overspoeld met lavamodderstromen en als het ware gesealed waardoor zelfs het organisch materiaal bewaard is gebleven. De opgravingen in Herculaneum laten zien hoeveel hout er in Romeinse steden werd gebruikt: houten deuren, raamluiken, meubels en beeldhouwwerken.”

“Ons bronmateriaal kent veel gaten”

Hoewel we de afgelopen decennia veel meer over de Romeinse interieurs te weten zijn gekomen, zijn er ook nog veel vragen. “Ons bronmateriaal kent veel gaten,” stelt Mols. Opvallend genoeg gaan die vragen vaak over de meest doodgewone dingen in het leven. “Zaken die voor ons heel gewoon zijn, zoals slapen, naar het toilet gaan of douchen, daar vind je in geschreven bronnen niets over, juist omdat ze zo gewoon zijn.” Hoewel er dan in archeologische bronnen naar meer informatie kan worden gezocht, levert dat nooit het hele plaatje op. “Sommige dingen zullen altijd een mysterie blijven.”