Dinosauriërs, zoals de bekende Velociraptor, hadden dezelfde soort polsen als latere vogels. Het flexibele soort gewricht zorgt ervoor dat vogels kunnen vliegen. Wetenschappers denken dat de Velociraptor zijn polsen gebruikte om zijn kleurrijke veren te beschermen.

Aangezien dinosauriërs hun verenkleed beschermden, werden de veren steeds groter en groter. Uiteindelijk waren de veren zo groot, dat het mogelijk was om ermee te vliegen. Het onderzoek richtte zich op dinosauriërs die leidde tot de ontwikkeling van de eerste vogels.

De pols is zeer mobiel, maar slechts in één richting. Sommige soorten kunnen niet eens hun vleugelgewrichten volledig uitstrekken of in een andere richting buigen. Waarschijnlijk was dat ook niet nodig in de historie van de evolutie. Daarnaast is een pols die één kant op buigt zeer efficiënt. Hierdoor slagen Noordse sternen om jaarlijks grote afstanden te vliegen.

“Als de pols niet op deze manier zou buigen, dan zouden de lange veren van een dinosaurus of vogel op de grond slepen”, legt paleontoloog en onderzoeker David Hone uit. “Hierdoor worden de vleugels vies of vernielen ze vegitatie. Het beschermen van de vleugels was voor dinosauriërs belangrijk en ook voor hedendaagse vogels.”