vogelbrein

Wetenschappers hebben ontdekt dat dinosaurussen lang voordat ze (in de vorm van vogels) het luchtruim kozen al het brein ontwikkelden dat nodig was om te kunnen vliegen. Blijkbaar ontstond het vogelbrein dus eerder dan de vogel zelf.

De onderzoekers trekken die conclusie in het blad Nature nadat ze de schedels van 24 verschillende soorten bestudeerden. Onder deze soorten bevonden zich onder meer moderne vogels, ‘oervogel’ Archaeopteryx en niet-vliegende dinosaurussen zoals de Tyrannosaurus. De onderzoekers scanden de schedels en maakten er 3D-reconstructies van om het volume van de schedels en de grootte van verschillende delen van het brein vast te kunnen stellen.

Verrassing
Het onderzoek leverde een verrassing op. Zeker enkele niet-vliegende dino’s bleken hersenen te hebben die relatief gezien net zo groot of zelfs groter waren dan die van Archaeopteryx. Dat wijst erop dat sommige dinosaurussen het brein hadden om te kunnen vliegen. “Archaeopteryx werd altijd gezien als een unieke overgangssoort tussen de gevederde dinosaurussen en moderne vogels,” vertelt onderzoeker Amy Balanoff. “Maar door het schedelvolume van nauwverwante dinosaurussen te bestuderen, hebben we ontdekt dat Archaeopteryx mogelijk niet zo speciaal was.”

WIST U DAT…

Verschillen
Het brein van vogels onderscheidt zich op verschillende manieren van het brein van moderne reptielen. Zo is het vogelbrein relatief groter. Dat is vooral goed te zien aan de voorkant van het brein. Dankzij zo’n ‘vogelbrein’ kunnen vogels onder meer zeer goed zien: een eigenschap die van pas komt in de lucht. Eerder onderzoek wees er al op dat verschillende eigenschappen die we in het verleden enkel aan vogels toeschreven – bijvoorbeeld veren en het vorkbeen in de borst – ook terug te vinden zijn bij sommige dinosaurussen die niet konden vliegen. En nu blijkt dat we het relatief grote vogelbrein aan dat lijstje met niet zulke unieke kenmerken kunnen toevoegen. “Als Archaeopteryx een brein had dat klaar was om te vliegen, en dat weten we bijna zeker, dan moeten ook andere niet-vliegende dinosaurussen dat gehad hebben.”

Een andere factor die moderne vogels in staat stelt om te kunnen vliegen, is een specifiek onderdeel in het brein dat ze gebruiken om informatie te verwerken en hun evenwicht te bewaren. De onderzoekers denken de equivalent van dit deel van het brein in de schedel van Archaeopteryx teruggevonden te hebben. Maar dit hersendeel konden ze niet vinden in het brein van de dinosaurussen die niet konden vliegen, maar wel (relatief) grotere hersenen hadden dan Archaeopteryx. Meer onderzoek zal moeten uitwijzen hoe dat precies zit.