Na het uitsterven van de dinosauriërs was er genoeg eten op aarde voor alle dieren. De gevleugelde voorlopers van de vogels – zoals de Australische emoe en de kasuaris – werden daarom erg dik en lui. Dit beantwoordt ook het mysterie hoe vogels zonder vleugels er toch in slaagden om de oceanen over te steken.

Dankzij DNA-onderzoek van verschillende vogels zijn wetenschappers erachter gekomen dat loopvogels 65 miljoen jaar geleden de mogelijkheid om te vliegen verloren. Toevallig stierven de dinosauriërs 65 miljoen jaar geleden uit.

“Ons onderzoek suggereert dat loopvogels ooit vogels waren, die gewoon heel goed konden lopen”, legt bioloog Matthew Phillips van de Nationale Australische universiteit (ANU) uit. “Door het ontbreken van gevaar op de grond en de aanwezigheid van genoeg voedsel was er geen reden meer om te vliegen. De vogels werden groter en konden uiteindelijk niet meer vliegen.”

Hoe komt dit? “Grote loopvogels gebruiken voedsel zeer efficiënt, namelijk om te groeien en voort te planten. Toen ze groter werden, werd het vliegen minder efficiënt. We zien dit ook op een heleboel eilanden, zoals de dodo’s.”

Het onderzoek van Philips toont aan dat de loopvogels na het opbreken van het supercontinent Gondwana nog evolueerden. Een voorbeeld is de Afrikaanse struisvogel, die oorspronkelijk uit Europa komt.