De grote wateren kunnen ons veel nauwkeuriger vertellen hoe snel de aarde opwarmt, aldus een internationaal team van onderzoekers.

Wij mensen pompen al decennialang allerlei broeikasgassen in de lucht en daardoor warmt de aarde op. Hamvraag – voor onderzoekers en beleidsmakers – is: hoe snel gaat die opwarming? Een antwoord op die vraag wordt nu vaak geformuleerd aan de hand van de wereldwijde gemiddelde oppervlaktetemperatuur. Maar dat kan beter, zo stellen onderzoekers nu. In het blad Eos komen ze met een andere manier om de opwarming van de aarde te monitoren. Ze stellen voor om te kijken naar de oceanen.

Stralingsbalans
Het is eigenlijk heel logisch. Om te bepalen hoe snel de aarde opwarmt, richten onderzoekers zich op de stralingsbalans van de aarde, oftewel het verschil tussen de inkomende zonnestraling en uitgaande aardse straling. Als er meer zonnestraling inkomt dan eruit gaat (doordat broeikasgassen de uitgaande aardse straling beperken), warmt de aarde op. Het grootste deel van die gevangen gehouden hitte (meer dan 90%) eindigt uiteindelijk in de oceanen. Dus het is eigenlijk niet zo’n gek idee om tijdens het monitoren van de opwarming van de aarde te kijken naar de opwarming van de oceanen.

Hier zie je de OHC (Oceanic heat content), oftewel de warmte die in de bovenste 2000 meter van de oceanen zit opgeslagen (zwarte lijn) en de CO2-concentratie (blauwe lijn) sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw. De roze ruimte rond de zwarte lijn geeft de onzekerheid die er rond de OHC is, aan. Je ziet dat die – dankzij steeds betere methoden om de temperatuur van de oceaan te monitoren – steeds kleiner is geworden. Afbeelding: Lijing Cheng.

Natuurlijke fluctuaties
De door de onderzoekers voorgestelde aanpak heeft bovendien een groot voordeel. Wanneer onderzoekers de opwarming van de aarde monitoren aan de hand van veranderingen in de wereldwijde gemiddelde oppervlaktetemperatuur lopen ze namelijk tegen een probleempje aan. Die wereldwijde gemiddelde oppervlaktetemperatuur verandert namelijk niet alleen door de opwarming van de aarde, maar ook door natuurlijke fluctuaties, zoals bijvoorbeeld El Niño. Om de impact van opwarming op de wereldwijde gemiddelde temperatuur helder te krijgen, hebben onderzoekers dan ook gegevens nodig die een lange periode – zeker 27 jaar – beslaan. Alleen over zo’n langere periode kan een trend van opwarming – dwars door allerlei korter durende fluctuaties heen – gedetecteerd worden. Kijken we naar de hoeveelheid warmte die in de oceaan zit opgeslagen, dan hebben we dat probleem niet. Want die hoeveelheid warmte is veel minder sterk aan natuurlijke veranderingen onderhevig. Het betekent heel concreet dat onderzoekers de trend van opwarming al kunnen detecteren in gegevens die 3,9 jaar beslaan. De onderzoekers concluderen dan ook dat het monitoren van de hoeveelheid warmte in de oceanen plus het monitoren van de zeespiegelstijging een uitstekend beeld kan geven dan de veranderingen die ons klimaat doormaakt.

De onderzoekers benadrukken dat de technologie voor het monitoren van veranderingen in de oceanen reeds voorhanden is. Dankzij ARGO – een observatiesysteem dat bestaat uit duizenden boeien – kunnen we tegenwoordig wereldwijd temperatuurmetingen doen. En satellieten kunnen de zeespiegelstijging perfect monitoren.