koningscobra

Een team van wetenschappers, van onder meer de Universiteit Leiden is het gelukt om voor het eerst het genoom van een slang te ontrafelen. Ze ontrafelden de genomen – een complete verzameling genetisch materiaal in een cel – van de koningscobra en de tijgerpython. Het resulteert in twee interessante onderzoekspapers.

Het onderzoek van de wetenschappers wijst uit dat de koningscobra, een grote, zeer giftige slang uit Zuid-Azië zich steeds ontwikkelt om zijn prooien te slim af te zijn. Uit onderzoek blijkt dat prooidieren uiteindelijk resistent worden voor zijn gif. “Er is een evolutionaire wapenwedloop gaande tussen de slang en zijn prooi, dus er is een grote druk voor de slang om het gif steeds sneller en effectiever te laten werken,” vertelt Freek Vonk, bioloog aan de Universiteit Leiden. De wetenschappers ontdekten in het gif van de grote slang eiwitten die belangrijk zijn bij het vangen van de prooi. Deze staan onder grote selectiedruk. Verder bleek dat de gifgenen vroeger op andere plekken in het slangenlichaam werden gebruikt, zoals in bloedcellen, de maag, hart, lever en geslachtsorganen.

Biowapens
Door duplicatie van een gen kunnen genen met niet-giftige functies worden aangezet in de gifklier. Hierdoor blijven beide bestaan en wordt de kopie gebruikt in de gifklier. In de loop van de tijd kan zo’n eiwit zich ontwikkelen tot ‘giftig’. “Onze resultaten geven een uniek inzicht in de evolutie van één van ‘s werelds meest geavanceerde natuurlijke biowapens,” aldus Vonk. De kennis die de onderzoekers opdoen, kan hen helpen tot het ontwikkelen van nieuwe medicijnen. Jaarlijks sterven nog 150.000 mensen aan een slangenbeet.

WIST U DAT…

De tijgerpython
In het tweede artikel wordt het genoom van de tijgerpython, een grote wurgslang uit Azië beschreven. De Nederlandse onderzoekers Vonk en Richardson hebben ook aan dit onderzoek van de Universiteit van Colorado meegewerkt. Het genoom van deze slang laat zien dat deze wurgslang direct na het eten genen aanzet, waardoor organen die het verteringsproces moeten bevorderen (hart, lever, nieren en dunne darmen) tijdelijk groter worden.

Door de grootte van hun prooi, tot wel de helft van hun gewicht moeten slangen zich fysiek aanpassen. Zo hebben zij een beweegbare schedel, beweegbare kaken, een rekbare huid en zwevende ribben. Maar ook in het genoom hebben zij ingebouwde aanpassingen. Na het eten zet alles uit, na het verteren van het vlees krimpt alles weer. Het hart kan bijvoorbeeld wel met vijftig procent groeien.