alto

Iedereen is bevooroordeeld en iedereen laat zich beïnvloeden door zijn vooroordelen. Als we eenmaal een vooroordeel in onze kop hebben, of dit nu bewust of onbewust is, houden we dat zelf in stand, want dat is het makkelijkst. Waarom? En waarom bestaan er vooroordelen?

U zit op uw vrije avond op een terrasje met een vriend of vriendin. Genietend van het weer en natuurlijk het ‘uitzicht’. Want óh, óh, óh, wat komt er toch allemaal langs. We kijken graag onze ogen uit. Iets wat u wel kunt ontkennen, maar we doen het allemaal! Dat zit namelijk in onze natuur: anderen bekijken zodat we onszelf ertegen af kunnen spiegelen. Wat we zien, daar hangt onze eigen mate van welbevinden van af. Zien we iets negatiefs, voelen we onszelf ietsje beter – want wij hebben het dan klaarblijkelijk zo slecht nog niet. Naar deze vergelijkingen zijn we altijd op zoek. Dat vertelde mediapsycholoog Mischa Coster eerder aan Scientias.nl als antwoord op de vraag waarom we al die statusupdates op Facebook zo goed volgen.

Wij zijn beter
Ook op het terras zijn we op zoek naar die vergelijkingen. Als er iemand langskomt die er beter uitziet, proberen we diegene toch nog zwart te maken door iets negatiefs op te merken. “Het is nog veel te koud voor zo’n kort rokje. Wat een ordinair gezicht.” Of “Die vent heeft zeker niets beters te doen dan elke dag in de sportschool te staan. Zijn hersenen zijn vast kleiner dan zijn biceps.” Die opmerkingen maken dat we onszelf beter voelen, ook al zijn we stiekem gewoon een beetje jaloers en hebben we zelf niet door dat we de voorbijganger in kwestie nastaren tot hij of zij de hoek om is. Onze mond hangt nog net niet open, we zetten alleen grote ogen op… Gelukkig krijgen we dan van onze metgezel ‘aapjeskijker’ de bevestiging dat we gelijk hebben: “Ja dat kan écht niet! Hahaha!” En ook hij of zij volgt de voorbijganger zwijgend tot deze uit het zicht verdwenen is.

Vooroordelen
Óh, óh, óh, wat komt er toch allemaal langs, maar óh, óh, óh wat weten wij het toch allemaal goed. Wat een menseninzicht! De een is in onze ogen homo, de ander heeft schijnbaar slecht geslapen anders keek hij niet zo chagrijnig. Het stelletje dat net langskwam geven we nog geen twee weken meer en die vrouw, ja die vrouw, daar ís gewoon iets mee. We zijn ervan overtuigd dat we gelijk hebben. We kijken door iedereen heen. Het blijkt dat zelfs apen kunnen zien hoe mensen in elkaar steken, door simpel te kijken naar gedrag en meegedragen voorwerpen. Als apen het al kunnen zien, kunnen wij mensen het toch zeker ook? Hoe dan ook, bij onze opmerkingen en ‘inschattingen’ zijn vaak vooroordelen betrokken. Zodra we iemand zien, zien we gelijk tot welke ‘soort’ diegene hoort. In welk hokje past hij met zijn uiterlijk, kleding en houding? Een snelle berekening en er rolt een vooroordeeltje uit en de voorbijganger past er inderdaad éxact bij! Hoe die persoon verder in elkaar steekt, denken we dan ook gelijk te weten. Sociale categorisatie heet dat met een duur woord. We zien iemand en leggen al heel snel de link met een stereotype waar diegene bij past. We zien bijvoorbeeld een getinte jongen die met zijn handen in de zakken van zijn trainingsjack loopt en we denken: ‘crimineel!’. Iets wat zo snel en onbewust gaat dat u er zelf totaal geen invloed op heeft. Soms heeft u niet eens door dat u iemand bijvoorbeeld meer crimineel inschat door zijn uiterlijk. Maar wanneer u op zo iemand zou moeten vertrouwen, is er toch iets van binnen dat u tegenhoudt.

Kapitein Haak, de 'bad guy' uit Disney film Peter Pan. © Disney

Kapitein Haak, de ‘bad guy’ uit Disney film Peter Pan. © Disney

Ik? Bevooroordeeld?
En natuurlijk zijn we niet allemaal tot in hart en nieren bevooroordeeld. Maar vooroordelen kennen we allemaal en ze beïnvloeden ons ook allemaal. Stereotypering ontstaat bij alles en iedereen waar we positieve of negatieve associaties bij hebben. Is iemand gewoon ‘neutraal’, dan krijgen we er geen positief of negatief gevoel bij omdat die associaties er niet zijn. Wanneer een stereotype eenmaal geactiveerd is, houden we dat in stand. Die activering gebeurt al op jonge leeftijd. Denk maar aan Disneyfilms waarin de bad guy altijd wat donkerder is. Zelfs zwarte kinderen in Amerika zien blanke kinderen als ‘goed’ en zichzelf als ‘slecht’ bleek uit eerder onderzoek. De stereotypen zitten op den duur vastgeroest in onze denkwijze. Waarom? Volgens het ‘cognitive miser’ principe is dit omdat we cognitief lui zijn. Een stereotype veranderen, kost ons te veel moeite en energie. Alles wat u weet, zou u overboord moeten gooien. Die stereotype-kennis resetten in uw hoofd is te drastisch. Daarom reageren we ook zo defensief wanneer iemand of iets dit stereotype dat wijzelf hebben, tegenspreekt. We zoeken naar nog meer informatie en argumenten om onze mening en stereotypes in stand te houden. De informatie die we vinden die wél bij onze stereotypes passen, onthouden we vervolgens beter. Misschien hebben we daarom wel meer op te merken over dingen waar we zelf mee bezig zijn en bevestigingen van voor ons ‘bedreigde’ stereotypes. Feit blijft dat al die stereotypes en bijhorende vooroordelen niet uit het niets ontstaan. Daarvoor is sociale categorisatie nodig.

Sociale hokjes…

Mensen hebben eigenlijk maar weinig uiterlijke verschillen. We zijn immers één soort. Alleen of iemand man of vrouw is, jong of oud is, zien we gelijk. Die categorisatie gebeurt dan ook direct en compleet onbewust. Om iemand in een sociaal hokje te plaatsen, denken we wel bewust na. We leggen een verband tussen wat we zien en de verwachtingen die we daar bij hebben. Informatie die we missen, vullen we gewoon zelf in. Zelfs als we iemand niet zien, plaatsen we diegene zelfs in een hokje.

De evolutie
Categorisatie beschermt ons eigenlijk tegen alles wat onze kans op overleven bedreigt. Denkt u zich maar eens in dat u op vakantie gaat in het zuidoosten van Azië en besluit een wandeling te maken door het tropische bos. Wat een mooie omgeving, rustgevende geluiden. En dan komt er iets op u af. Groot, met haar over het hele lichaam, grote tanden, gespitste oren, snorharen, brede poten en jeetje, wát een tempo. Wat zou het zijn? Even wachten tot het dichterbij is en u het wat beter kunt onderzoeken. Nee, dat is inderdaad niet zo’n goed idee. Maar als u nooit categoriseert, heeft u totaal geen idee dat dit wel eens een gevaarlijk dier zou kunnen zijn dat u helemaal niet kúnt onderzoeken en waar u beter voor weg kunt rennen. Categorisatie beschermt ons. Door objecten en dieren in hokjes te plaatsen, kunnen we bij uiterlijke kenmerken gelijk de kennis die we al hebben toepassen – we weten wat we kunnen verwachten. Zonder categorisatie gaan we die tijger bijvoorbeeld niet uit de weg, gaan we dood en kunnen we ons niet voortplanten. Nuttig dus die categorisatie. Het brengt orde aan in de grote stroom van informatie. Hokjes bakenen de informatie af en we beschikken gelijk over meer informatie over iets wanneer we weten in welk hokje het hoort. Die categorisatie passen we nu ook op mensen toe. We zien de uiterlijke kenmerken, plaatsen deze in een categorie, informatie bij deze categorie wordt actief en die informatie gebruiken we. Handig dat cognitieve systeem van ons!

Vaak zijn we onbewust bevooroordeeld en eigenlijk is het ook wel weer leuk. Want geeft u toe: het is leuk om mensen te kijken en direct uw oordeel over die wildvreemden te vellen. Als ze zó over straat gaan, vragen ze er immers om om nagekeken te worden. Alleen in een wereld zonder verschillen – waarin iedereen dus hetzelfde is – ontstaan geen vooroordelen. En dat zou maar een saaie bedoening zijn!