zangvogel

Een internationaal onderzoeksteam, waaronder Katharina Riebel, verbonden aan de universiteit van Leiden, heeft ontdekt dat ook veel vrouwtjesvogels zingen. Het is een opvallende ontdekking, omdat altijd gedacht werd dat vogelzang vooral een mannelijke eigenschap is, bedoeld om vrouwtjes het hof te maken.

Katharina Riebel en collega’s van de universiteit van Maryland (Baltimore County), Melbourne en de Australian National University onderzochten alle beschikbare literatuur over zang bij vrouwtjeszangvogels. Met een genetische databank brachten de onderzoekers bovendien de eigenschappen en evolutie van deze vrouwtjeszangvogels in kaart.

Belangrijk voor mannen en vrouwen?
De onderzoekers ontdekten twee belangrijke zaken. Veel vrouwelijke zangvogels zingen (maar liefst 71 procent van de onderzochte soorten). En bij de voorouders van de moderne zangvogels zongen zowel de mannetjes als de vrouwtjes. Het suggereert dat zingen niet alleen belangrijk is voor mannetjes, maar mogelijk ook een belangrijke rol speelt voor de vrouwtjes.

WIST U DAT…

Alternatief scenario
Mannetjes zingen vaak luidruchtig en vallen ook met hun prachtige verenkleed op. Vrouwtjes zijn stiller en beter gecamoufleerd. Op het moment gaan onderzoekers ervan uit dat de onderlinge concurrentie met andere mannetjes ertoe geleid heeft dat mannen zo luidruchtig en kleurrijk zijn. Maar door het onderzoek van Riebel komt die opvatting nu op losse schroeven te staan. Want ook vrouwtjes zingen blijkbaar volop. “Dat betekent dat voorkeuren van vrouwtjes voor zingende mannetjes niet de eerste en/of enige reden geweest kan zijn dat zang geëvolueerd is,” vertelt Riebel. “Dit is een vertrekpunt voor alternatieve scenario’s, die tot nu in het onderzoek naar vogelzang buiten beschouwing gebleven zijn.”

Drijvende kracht
De grote vraag is nu natuurlijk: wat is dan de drijvende kracht achter de evolutie van de vogelzang? “De reden voor het ontstaan van vogelzang is misschien niet alleen voor seksuele selectie en competitie tussen mannetjes, zoals Darwin suggereerde. Maar wellicht speelt seksuele en sociale selectie bij vrouwtjes ook een rol: door zang konden zowel mannetjes als vrouwtjes meedingen naar middelen die nodig zijn voor overleving en voortplanting.” Riebel maakt dat graag wat concreter: “Als het geen trekvogels zijn, is het hebben en verdedigen van een territorium ook buiten het broedseizoen belangrijk, omdat dat betekent dat er altijd eten is (zonder territorium niet of je moet er voor knokken). Zo’n territorium kun je met z’n tweeën zingend beter verdedigen en dan zijn vrouwen (zowel als mannen) er dus bij gebaat als ze kunnen zingen.” Riebel benadrukt dat dit echter nog vervolgvragen zijn: nader onderzoek zal moeten uitwijzen of het werkelijk zo zit.

Maar het onderzoek roept meer vragen op. Zo blijkt uit de studie dat vrouwtjes in de loop van de evolutie herhaaldelijk hun zang zijn kwijtgeraakt. Waarom stopten ze met zingen? Ook het brein van de zangvogel komt door het onderzoek weer ter discussie te staan. Het brein van mannelijke en vrouwelijk zangvogels verschilt sterk, omdat voor het zingen en vocaal leren bijzondere aanpassingen nodig zijn. Zijn die verschillen elke keer wanneer vrouwtjes hun zang kwijtraakten opnieuw ontstaan? En zou dat dan betekenen dat de bijzondere aanpassingen die nodig zijn om te kunnen zingen gemakkelijk ‘uitgeschakeld’ kunnen worden in het vogelbrein? “Vanwege de grote sekseverschillen in het brein zijn zangvogels een belangrijk model voor onderzoek naar de ontwikkelingsfactoren van sekseverschillen in het brein tussen mannen en vrouwen. Als zulke verschillen niet heel lang hoeven te evolueren, maar ook tot stand kunnen komen omdat de breinadapatie voor een bepaald gedrag (zang dus) ook relatief “makkelijk’ weer uitgezet kunnen worden, dan verandert dit het perspectief van dat onderzoek.”