martu

Jagen kan ervoor zorgen dat het aantal dieren toeneemt en het leefgebied van die dieren verbetert. Maar dan moeten we het wel op de manier van de Aboriginals doen. Die opmerkelijke conclusie trekken wetenschappers.

In de Australische woestijn jagen Aboriginals op bijzondere wijze op hun prooien. Ze gebruiken vuur om grote stukken land van vegetatie te ontdoen en hun prooien – hagedissen – beter te kunnen vangen. Dat lijkt een methode die de natuur hard raakt. Maar in werkelijkheid doet deze jachttactiek de natuur juist goed, zo schrijven onderzoekers van het Stanford Woods Institute for the Environment.

Op plekken waar de Aboriginals gejaagd hadden, groeiden de planten snel genoeg weer terug, was het landschap diverser en leefden meer hagedissen. “Onze resultaten laten zien dat mensen een positieve invloed kunnen hebben op andere soorten zonder dat daar een beleid ter behoud van soorten en beheer van hulpbronnen voor nodig is,” stelt onderzoeker Rebecca Bird. “In het geval van de inheemse samenlevingen kan het alledaagse levensonderhoud wel eens net zo effectief zijn als het gaat om het behoud van de biodiversiteit als de activiteiten van andere organismen.”

Voor de wetenschap mag dat dan nieuw zijn; de Aboriginals wisten dat al lang. De Aboriginals stellen dat het leven alleen doorgang vindt als we het land rondom ons gebruiken. Sterker nog: ze geloven dat stoppen met jagen – en dus niet de jacht zelf – ervoor zorgt dat soorten het moeilijk krijgen. De wetenschap moet de Aboriginals nu gelijk geven. De afname van het aantal Aboriginals en de jacht – doordat er op de Aboriginals zelf gejaagd werd – kan wel eens bijgedragen hebben aan het uitsterven van verschillende woestijndieren die afhankelijk waren van de jachtprakijkten van de stammen.