Bij de parfumerie staan de schappen er vol mee: uiteenlopende geuren. De één ruikt lekker. De ander stinkt. Tenminste: dat vind ik. Grote kans dat jij er heel anders over denkt. Want jij ruikt niet wat ik ruik.

“Ruik je dat?” vraagt ze aan mij en ze trekt een walgend gezicht.
“Nee,” antwoord ik. Ik haal mijn schouders op.

Al snel kom je erachter dat hetgeen wat jij ruikt niet altijd overeenkomt met wat een ander ruikt. Dit heeft te maken met de geurreceptoren in je neus. Welk signaal er door deze receptoren naar de hersenen wordt gestuurd, is afhankelijk van de genen. Een gen bestaat uit een of meerdere stukjes DNA. Het DNA bestaat uit nucleobasen en codeert voor eiwitten, die op hun beurt zijn opgebouwd uit aminozuren. Een klein verschil in de volgorde van de aminozuren zorgt voor ontelbare variaties, waardoor niemand hetzelfde ruikt als een ander. Vergelijkbaar met kleurenblindheid, rapporteren sommige mensen een andere waarneming van de intensiteit, een onderscheid tussen “welriekend” en “stinkend” en de geurdrempel (de laagste concentratie van een stof die nog net te ruiken is). De blauwdruk van onze geurperceptie ligt vast in onze genen, maar wordt tijdens ons leven afgesteld door toenemende ervaring en blootstelling aan geuren.

WIST JE DAT…

Van neus naar brein
Elke receptor stuurt een specifiek signaal naar de hersenen. De geurreceptoren zijn “tussenstations” om de geur te vertalen naar een signaal dat door de hersenen verwerkt kan worden. Recentelijk concludeerden onderzoekers dat onze neuzen veel gevoeliger zijn dan gedacht, maar dat we er tegenwoordig minder aandacht aan besteden; vermoedelijk omdat geuren de kans van overleving in onze maatschappij niet meer vergroten.
Als er specifieker gekeken wordt naar de receptoren in de neus, wordt het elektrische signaal richting de hersenen (de neurale activiteit) opgewekt in het oppervlak van de receptoren. Bepaalde eiwitten zijn hier verantwoordelijk voor. Zij herkennen stofjes, die te klein zijn voor ons om waar te nemen met onze ogen, aan hun vorm of vormen. Deze stofjes kunnen we uiteindelijk waarnemen als geuren, maar alleen als de geurdrempel bereikt wordt. Het blijkt dat de combinatie van receptoren maakt dat de ene persoon een geur anders ruikt dan de andere persoon.

Twee uitersten
Er zijn mensen die nauwelijks of zeer beperkt kunnen ruiken. Deze aandoening wordt anosmie genoemd en kan zowel tijdelijk als permanent van aard zijn. Anosmie heeft verschillende oorzaken, zoals roken, gebrek aan voedingsstoffen, de ziekte van Kallman en de ziekte van Parkinson. Ook een hoofdtrauma kan ervoor zorgen dat de zenuwen in de neus of richting de hersenen beschadigd raken. Er zijn natuurlijk ook mensen die hun neus voor een beroep gebruiken, zoals wijnexperts en parfummakers. Deze mensen zijn gevoeliger voor geuren dan anderen. fMRI-onderzoek laat zien dat ervaren ruikers, zoals wijnexperts, meer gerichte hersenactiviteit laat zien. Ook is een verbeterende reukzin gekoppeld aan geheugen en herhaalde blootstelling aan geuren.

Manipulerende geuren
Naast de verschillen in de combinatie van receptoren, waar we zelf niets aan kunnen veranderen, is het mogelijk om het brein te “foppen” met olfactoire prikkels (geuren). “Een geur kunnen we zelf natuurlijk niet veranderen,” zegt Darren Logan, onderzoeker aan het Sanger Institute in Hinxton. “Maar het is mogelijk om de perceptie van een geur te veranderen.” Onderzoek laat zien dat dezelfde geur anders geroken wordt als de verpakking een andere kleur heeft of als het gewicht van de fles verandert. De geur wordt niet zozeer lekker of minder lekker gevonden, maar anders. Dus olfactoire prikkels zijn moeilijk los te zien van andere prikkels, zoals visuele prikkels. Dit wordt crossmodale associatie genoemd. Resultaten van dergelijke onderzoeken worden veelal toegepast bij het ontwerpen van flessen, logo’s en labels van parfums.

Van neus naar taal
Het benoemen van een geur wordt moeilijk gevonden. In tegenstelling tot kleuren, die we veelal moeiteloos benoemen met ofwel een overkoepelende term (bijvoorbeeld “blauw”) of met een specifieke term (bijvoorbeeld “oceaanblauw”), is het koppelen van geuren aan taal een moeilijke taak. Het enige onderscheid wordt gemaakt in “welriekend” en “stinkend”, maar dat is onspecifiek. Ons brein blijft steken bij referenties naar wat erop lijkt, zoals “kaneel-achtig”.

“Het Maniq, een taal die gesproken wordt door 250 tot 300 mensen in het zuiden van Thailand, kent een rijke vocabulaire specifiek gericht op geuren”

Maniq
Het bovenstaande gaat op voor Westerse talen, zoals Nederlands en Engels. Voor deze talen bestaat er wel een uitgebreide geurvocabulaire bestaande uit metaforen, vergelijkingen en specifieke vaktermen, maar deze refereren enkel naar de bron van de geur. Daarentegen kent het Maniq een rijk vocabulaire specifiek gericht op geuren. De taal wordt gesproken door 250-300 mensen in het zuiden van Thailand. Het benoemen van geuren gebeurt op een abstracte manier, zonder te refereren naar de bron van de geur. Een geur wordt met een woord benoemd, waarvoor wij in onze taal geen zelfde woord ter beschikking hebben.

Toekomst van de neus
Volgens Darren Logan zal toekomstig onderzoek zich richten op een drietal onderwerpen, namelijk: (1) stoornissen gerelateerd aan de reukzin, zodat er een betere diagnose en behandeling voorhanden is, (2) reukzin buiten de neus, want er is bewijs dat geurreceptoren zich ook in andere cellen bevinden en daar een belangrijke functie uitoefenen en (3) het gebruik van technologie om multi-sensorische integratie (het integreren van informatie van meerdere zintuigen) beter in kaart te brengen.

Dit artikel is geschreven door Leonie Brummer. Ze is afgestudeerd als psycholoog en heeft een passie voor onderwijs, wetenschappelijk onderzoek, schrijven en spellen en verkoopt educatief speelgoed via haar eigen website.