Astronomen hebben veel vragen bij de geboorte van massieve sterren. Deze sterren zijn dicht genoeg om waterstof te fuseren, maar op één of andere manier blijven ze materiaal verzamelen uit de omringende gaswolken. En dat is raar, want waarom zorgt de radiatie van zo’n ster er niet voor dat de nevel verdwijnt?

Een ster ontstaat wanneer een gaswolk ineenstort. Wanneer de temperatuur en dichtheid hoog genoeg zijn, wordt waterstof omgezet in helium en begint een ster te schijnen. Bij de allerzwaarste sterren – sterren die tientallen tot honderden keren zwaarder zijn dan de zon – begint het schijnproces al wanneer de gaswolk nog aan het ineenstorten is. Hierdoor ontstaat een gloeiende nevel met een temperatuur van 10.000 graden Celsius. De nevel blijft lang bestaan en dat is raar, want gezien de vrijgekomen hitte en straling zou het meer dan logisch zijn dat de nevel uit elkaar wordt gegooid.

Nieuwe simulaties van wetenschappers van verschillende universiteiten en instituten geven een antwoord op dit mysterie. In een gaswolk waarin een massieve ster wordt geboren, ontstaan draderige structuren onder invloed van zwaartekracht. Het interstellaire gas valt niet rechtstreeks op de protoster, maar vormen spiraalvormige slierten. Bij deze draden is de gasdichtheid hoger dan elders. Zulke filamenten absorberen de intense ultraviolette straling van de ster-in-wording, waardoor de omgeving wordt beschermd en de nevel niet verdwijnt.

De vorming van een schild verklaart niet alleen hoe gas in de nevel blijft vallen, het verklaart ook waarom geïoniseerde nevels zo klein lijken door radiotelescopen. Als een nevel niet langer geïoniseerd wordt, krimpt de nevel drastisch. Na duizenden jaren flikkert de nevel, zoals een kaars.

“Tot nu toe zagen we geïoniseerde nevels als uitbreidende bellen van heet gas”, vertelt Thomas Peters van de universiteit van Heidelberg. “De grootte van de bellen koppelden we aan de leeftijd van de centrale ster. Onze simulaties laten zien dat er geen directe relatie hoeft te zijn tussen de grootte van een nevel en de leeftijd van een massieve ster, zo lang de ster nog steeds groeit.”