Wij mensen worden doorgaans oud, maar niet oneindig oud. Wat is het nut van lang leven? En wat is het nut van niet onsterfelijk zijn? De evolutie verschaft een aantal verrassende, maar ook logische antwoorden.

We worden ouder dan diersoorten waarmee we ons kunnen vergelijken, zoals chimpansees en gorilla’s. Maar we worden minder oud dan reuzenschildpadden of sommige pijnbomen in het Inyo National Forest reservaat in de Verenigde Staten. Het roept interessante vragen op. Want wat is het nut van ons lange leven? En waarom zijn we niet onsterfelijk? De evolutie kan duidelijkheid verschaffen.

Ouderdom
Onduidelijk is wie precies de oudste mens ter wereld is. Er zijn verschillende gegadigden en (schattingen) van hun leeftijden variërend van 115 tot 141 jaar (Feroz Ud Din Mir uit Noord-Kashmir). Maar de mens is zeker niet de kampioen ‘oud worden’. Van sommige zee-egels is bekend dat ze 200 jaar oud werden, Galapagos reuzenschildpadden haalden hun 250e verjaardag en van sommige mosselen is vastgesteld dat ze 400 jaar oud zijn. Zeegras maakt klonen van zichzelf waardoor een reuze-organisme ontstaat met een gewicht van wel 6000 ton, en door de voortdurende vernieuwing wordt het zeegras ook erg oud; mogelijk zelfs vele tienduizenden jaren. In Californië staat een pijnboom – Methusala genaamd – die meer dan 5000 jaar oud is, dit zonder zichzelf met klonen steeds te verversen zoals het zeegras doet.

Waarom wel doodgaan geen en niet doodgaan wel een probleem is
Evolutie gaat over organismen en hun strijd om te overleven. Genen die deze kunst het best beheersten, bestaan nu nog. De meeste eigenschappen van dieren en mensen dragen op de één of andere manier bij aan hun overleven. Denk aan de snelheid en kracht van de leeuw, de schutkleur van het konijn of het vermogen dagen zonder water te kunnen van de kameel. Evolutie is één lange strijd om te overleven, dat wil zeggen: minimaal tot aan het moment dat je jezelf hebt kunnen voortplanten. We kennen allemaal de zalm, die vanuit de zee tegen de stromingen van rivieren in terug zwemt naar de plek waar hij destijds geboren is. Daar legt hij uitgeput zijn eitjes, om daarna de harde strijd om het bestaan op te geven en gelaten, zonder veel verzet weg te glijden in de dood. Ook het mannetje van de zwarte weduwe (een spin) overleeft zijn pogingen tot seks en voortplanten vaak niet. Kinderen krijgen blijft een éénmalige gebeurtenis. De meeste soorten echter planten zich vaker dan één keer voort. En dit is eigenlijk wel logisch; zij krijgen meer kinderen en als deze kinderen ook de eigenschap bezitten zich vaker dan één keer voort te planten, zal binnen een aantal generaties vrijwel de hele populatie bestaan uit individuen die zich kenmerken door deze gewoonte. Nog logischer zou het zijn als individuen nooit doodgaan en permanent bezig blijven zich voort te planten. Wanneer ook hun kinderen deze eigenschap zouden bezitten, zou een dergelijke familielijn evolutionair onverslaanbaar zijn. Toch bestaat ze niet. Vreemd?

Een artistieke impressie van de Megalodon. Afbeelding: Karen Carr.

Een artistieke impressie van de Megalodon. Afbeelding: Karen Carr.

Gigantisme
Dit is niet zo merkwaardig als het op het eerste gezicht lijkt. Er zijn bijvoorbeeld soorten die het ver geschopt hebben in de richting van onsterfelijkheid. Gigantisme is hiervan een voorbeeld. Meestal gebeurde dit wanneer een soort zich in een geïsoleerd gebied ontwikkelt waar omstandigheden lange tijd hetzelfde blijven. De megaloceros was een hert zo groot als een forse eland en had een gewei met een spanwijdte tot vier meter. De megalodon was een reuzenhaai die zijn bek meer dan twee meter kon opensperren. De sarchosuchus was een krokodil van twaalf meter die onder andere gewone krokodillen op zijn menu had staan. De olifantsvogel tot slot werd meer dan vijfhonderd kilo zwaar. Wat al deze dieren kenmerkte, is dat ze weinig of geen natuurlijke vijanden hebben en het lang duurt voor ze volwassen werden. Ook het aantal jongen dat ze kregen was beperkt en de periode tussen de geboorten van verschillende jongen was erg groot. Kortom; hun voortplantingsnelheid was aan zeer serieuze beperkingen onderhevig. En dit nekte hen.

Snelle voortplanting
Voortplantingssnelheid en een snelle opvolging van generaties zijn namelijk essentiële voorwaarden om je snel aan gewijzigde omstandigheden aan te passen. Adaptatie is alleen mogelijk door snel en veel nakomelingen te verwekken, waaronder zich mutanten bevinden die beter kunnen omgaan met de nieuwe vereisten. Dat kleine selecte groepje kan er dan voor zorgen dat niet alle individuen door de gewijzigde omstandigheden het loodje leggen en zij vormen de aartsvaderen van de soort na een periode die om snelle adaptatie vroeg. Kleine, zich snel voortplantende soorten waarin generaties elkaar snel opvolgen, kunnen zich gemakkelijker aanpassen dan grote, langzaam voortplantende soorten. Denk aan bacteriën die in enkele decennia resistent werden tegen antibiotica, of insecten die niet meer doodgaan van pesticiden waardoor hun recente voorouders nog wel het loodje legden.

“Het eeuwige leven is dus toch niet zo aantrekkelijk als het op het eerste gezicht lijkt; misschien wel voor het individu dat het betreft, maar niet voor de soort waartoe hij behoort”

Eeuwig leven is niet zo aantrekkelijk
De simpele conclusie is dat megasoorten waarvan de individuele leden een zeer lang leven beschoren was, het als soort niet gered hebben. Biologen speculeren dat wanneer de grote dinosauriërs niet uitgestorven waren door de meteoor die 65 miljoen jaar terug de aarde trof, deze soorten in andere perioden waarin zich snelle veranderingen in omstandigheden voordeden, wel uitgestorven zouden zijn. Het eeuwige leven is dus toch niet zo aantrekkelijk als het op het eerste gezicht lijkt; misschien wel voor het individu dat het betreft, maar niet voor de soort waartoe hij behoort. Vandaar dat we nu allemaal soorten zien die het moeten doen met een beperkte levensduur. En voor de mens geldt dat niet anders.

Werkbijen en hun koningin. Afbeelding: Tod Huffman (via Wikimedia Commons).

Werkbijen en hun koningin. Afbeelding: Tod Huffman (via Wikimedia Commons).

Familiebanden
Genen willen voortbestaan. Dit doen ze door het lichaam waarin ze verblijven te voorzien van allerlei eigenschappen die overleven mogelijk maken; we noemden de kracht en snelheid van een leeuw en de schutkleur van het konijn. Het was de bioloog William Hamilton die opmerkte dat een individu niet de enige is waarin specifieke genen huizen, maar dat in familieleden van hem zich identieke kopieën van zijn genen bevinden, en wel in de mate van erfelijke nabijheid. In een kind en broer of zus bevinden zich meer kopieën van onze eigen genen dan in een neef of nicht, maar daarin zijn toch weer meer identieke genen aanwezig dan bijvoorbeeld in een willekeurige vreemde. Zowel bij mensen als bij dieren zien we dat we geneigd zijn elkaar te helpen, of zelfs ons leven op te offeren voor anderen, in de mate waarin die anderen genetisch aan ons verwant zijn. We noemen dit Inclusive Fitness. Dit revolutionaire concept verklaart bijvoorbeeld waarom soldaatmieren of werkbijen hun leven opofferen om hun kolonie te beschermen. Wanneer ze door hun eigen leven op te offeren, drie zussen het leven redden, redden ze daarmee drie keer vijftig procent, dus 150 procent van hun genen terwijl ze door voor hun eigen hachje te kiezen maar 100 procent van hun genen sparen. Vandaar die ware doodsverachting in de bescherming van hun kolonie.

Homoseksualiteit
Ook homoseksualiteit – waarvan inmiddels is aangetoond dat het voor een belangrijk deel erfelijk is bepaald – kan op deze manier verklaard worden. De mens leefde het grootste deel van zijn evolutie in familiegroepen, waarbij broers en zusters elkaar hielpen bij het grootbrengen en beschermen van kinderen. Kinderen met kinderloze ooms en tantes waren daarbij ten opzichte van kinderen die het zonder dergelijke suikerooms en –tantes moesten stellen in het voordeel. Door hun grotere overlevingskans blijven hun genen – waarin dus ook een stukje aanwezig is dat homoseksualiteit bepaalt – bestaan en zo blijft dus ook een eigenschap als homoseksualiteit bestaan.

Grootmoeder en kleinkind. Afbeelding: Timo Luege (cc via Flickr.com)

Grootmoeder en kleinkind. Afbeelding: Timo Luege (cc via Flickr.com)

De onmisbare derde generatie
De mens is een diersoort waarbij het kind uitermate hulpeloos en afhankelijk geboren wordt (in tegenstelling tot bijvoorbeeld een zebra waar het jong al na een half uur met de kudde mee rent) en een zeer lange opvoedings- en ontwikkeltijd nodig heeft alvorens het zich zelfstandig staande kan houden. Suikerooms en –tantes spelen hier een behulpzame rol, maar ook grootouders zijn hierin belangrijke factoren geweest, zo wordt steeds meer onderkend door antropologen, biologen en psychologen. Het Grootoudereffect maakt dat moeders meer kinderen kunnen baren en grootbrengen, omdat een deel van de opvoedende taken door grootouders wordt overgenomen. Ook het proces van culturele overdracht is gebaat bij grootouders. Bij hen heeft zich immers een leven lang aan ervaringen en inzichten gecumuleerd en zij zijn dus de aangewezen personen die over te dragen aan de jongste generaties. “It takes a village to raise a kid” wordt wel gezegd, en de menselijke soort én de menselijke cultuur hadden nooit het huidige niveau kunnen bereiken zonder de essentiële rol van de derde generatie.

Opa en oma of pa en ma?
Uiteraard zou men kunnen redeneren dat ouderen beter bezig konden blijven met zelf kinderen op de wereld zetten, dan hun tijd en energie te besteden aan hun kleinkinderen. We zagen immers dat kinderen genetisch meer met hen overeen komen dan kleinkinderen. De verklaring waarom dit niet gebeurt, hebben we eigenlijk al aangestipt. Het heeft te maken met de beperkte ouderdom – en we zagen waarom dat er is – waardoor op hoge leeftijd nog kinderen krijgen een verhoogd risico met zich meebrengt dat die kinderen het niet redden omdat hun ouders overlijden alvorens ze zelf volwassen zijn. De noodzaak van genetische diversiteit waardoor we plotselinge veranderingen in omstandigheden het hoofd kunnen bieden, maakt dat het beter is dat jongere generaties zich voortplanten dan dat oudere generaties het voortplantingsmonopolie naar zich toe trekken. Biologisch heeft dit geresulteerd in de menopauze; een fysieke verandering die we vrijwel alleen bij de mens aantreffen.

Grootouders hebben een cruciale rol gespeeld in de evolutie van de mens. Zonder hun actieve inbreng, was de mens nooit verder gekomen dan “Aap 2.0”. Ook onze culturele evolutie heeft veel te danken aan de actieve rol van de derde generatie. Hen ver weg wegstoppen en maatschappelijk inactief maken, is iets van de laatste eeuwen; pas met de opkomst van de industriële revolutie, ontstonden ook speciale instituties die zich specifiek op de zorg van ouderen richtten, maar ook als onbedoeld bijeffect hadden dat ze deze groep inactiveerden. Misschien wordt het tijd om op basis van inzichten uit de evolutie hier eens iets aan te gaan doen!

Henk Verhoeven is werkzaam als docent Toegepaste Psychologie aan de Fontys Hogescholen. Afgelopen zomer publiceerde hij “Oerganisatie. De evolutie van samenwerking, van mierenhoop tot multinational” (Maven Publishing), waarin hij verschijnselen als samenwerking, moraal, economie en technologie vanuit een evolutionair perspectief benadert.