Meestal worden ze rond hun achtste of negende levensjaar ‘ongelovig’ en de wetenschap kan dat prima verklaren.

Dat blijkt uit een onderzoek dat recent is verschenen. In het onderzoek zoeken wetenschappers uit hoe het beeld dat kinderen hebben van wat fysiek mogelijk en onmogelijk is van invloed is op hun geloof in de kerstman. De onderzoekers verzamelden 47 kinderen die tussen de drie en negen jaar oud waren. Alle kinderen kregen twee vragen voorgeschoteld om vast te stellen of ze de kerstman kenden en of ze in de kerstman geloofden. Die vragen luidden: Wie is de Kerstman? En waar woont de Kerstman? 44 kinderen bleken de Kerstman te kennen en in hem te geloven.

Drie taken
Vervolgens kregen de kinderen drie opdrachten.
Opdracht 1 – Een onderzoeker schreef een brief aan de kerstman en vroeg de kinderen hem te helpen met het bedenken van vragen aan de kerstman. De kinderen mochten de kerstman geen cadeaus vragen, maar alleen informatie. Jongere kinderen bleken daar meer moeite mee te hebben, mogelijk omdat de kerstman zelf niet aanwezig was of omdat kerst nog zo ver weg was (het onderzoek vond plaats in juli). Oudere kinderen konden veel gemakkelijker vragen bedenken. Hun vragen werden door de onderzoekers in twee categorieën ondergebracht: feitelijke vragen (Wat zijn de namen van de elfjes? Is het koud op de Noordpool) en conceptuele vragen (Hoe kan de slee vliegen? Hoe kan de kerstman door een schoorsteen passen?).
Opdracht 2 – De kinderen werd verteld dat de kerstman zich bezighoudt met vijf activiteiten en vervolgens werd gevraagd of de kinderen dat geloofden. Bijvoorbeeld: “Ik heb gehoord dat de kerstman weet of een kind lief of ondeugend is geweest”. Wanneer kinderen aangaven dat ze geloofden dat de kerstman tot zo’n activiteit in staat was, werd ze gevraagd “Hoe denk je dat hij dat doet?” Gekeken werd of de kinderen met een causale verklaring konden komen. Een goede causale verklaring voor het feit dat de kerstman alles weet, was bijvoorbeeld “Hij heeft overal ter wereld camera’s opgehangen”. Soms kwamen kinderen ook met verklaringen die niet causaal waren. Op de vraag hoe de slee van de kerstman kon vliegen, antwoordden de kinderen dan bijvoorbeeld dat de rendieren konden vliegen.
Opdracht 3 – De kinderen kregen tien uitzonderlijke verhalen te horen. In vijf van de verhalen werden de natuurwetten geschonden en dus zouden die verhalen als ‘onmogelijk’ moeten worden bestempeld. In die verhalen liep iemand bijvoorbeeld op water, maakte iemand van appelmoes een appel en reisde iemand terug in de tijd. In de andere vijf verhalen gebeurden ook uitzonderlijke dingen, maar die gebeurtenissen waren niet direct onmogelijk. In die verhalen at iemand bijvoorbeeld augurken-ijs of vond iemand een krokodil onder zijn bed. De kinderen moesten aangeven of een verhaal echt gebeurd kon zijn. Wanneer ze dachten dat dat niet het geval was, moesten ze aangeven waarom niet. Ook hier werd de verklaring beoordeeld. Sommige kinderen zeiden bijvoorbeeld dat mensen niet op water kunnen lopen, omdat mensen zwaarder zijn dan water of omdat water geen vaste stof is. Dat was een goede causale verklaring. Verklaringen die als niet causaal werden aangemerkt waren bijvoorbeeld: “Iemand kan niet op water lopen, omdat het water is”.

kerstman

Alles is onmogelijk
Uit het onderzoek blijkt dat vierjarigen bijna alles wat in strijd is met hun verwachtingen als onmogelijk bestempelen. “Daaronder vallen niet alleen werkelijk onmogelijk gebeurtenissen, zoals door een muur wandelen of lopen op water, maar ook gebeurtenissen die onwaarschijnlijk, maar niet onmogelijk zijn, zoals een krokodil onder je bed vinden,” vertelt onderzoeker Andrew Shtulman.

Onderscheid tussen onmogelijk en mogelijk
Opvallend genoeg gaan kinderen pas aan het bestaan van de kerstman twijfelen als ze in staat zijn om onderscheid te maken tussen onmogelijke en mogelijke gebeurtenissen. “Wat wij ontdekt hebben, is dat hoe beter kinderen in staat waren om mogelijke van onmogelijke gebeurtenissen te onderscheiden, hoe vaker ze in brieven aan de kerstman vroegen naar zijn bijzondere activiteiten,” stelt Shtulman. “Bijvoorbeeld ‘Hoe pas je door een schoorsteen?’ en “Hoe zorg je ervoor dat je slee gaat vliegen?’ Kinderen die nog niet in staat waren om mogelijke gebeurtenissen van onmogelijke gebeurtenissen te onderscheiden, stelden meer alledaagse vragen zoals ‘Wat zijn de namen van je elfjes?’ en ‘Wat doen je rendieren in de zomer?'”

“De (resultaten, red.) suggereren dat sommige kinderen niet langer in de kerstman geloven, omdat ze een bepaald niveau van conceptueel begrip bereiken waarin de kerstman-mythe niet langer geloofwaardig lijkt,” zo schrijven de onderzoekers in hun paper.