Dit blijkt uit een onderzoek onder leiding van Leidse astronomen.

De wetenschappers gebruikten de Atacama Large Millimetre/Submillimetre Array (ALMA) om de nog ontwikkelende ster TMC1A te observeren. Ze zagen een gebrek aan straling van koolmonoxide in een schijfvormig gebied in de buurt van de ster. Ze vermoeden dat straling wordt tegengehouden door grotere stofdeeltjes. Deze stofdeeltjes zijn gegroeid van een duizendste millimeter naar een millimeter.

Het feit dat stofdeeltjes groter worden, betekent dat deze deeltjes samenklonteren. Dit wordt gezien als de eerste stap in het planeetvormingsproces. Toch is dit een onverwachte vondst, omdat de ster nog volop aan het ontwikkelen is. “De jonge ster is nog maar op de helft tot driekwart van zijn uiteindelijke massa,” zegt hoofdonderzoeker Daniel Harsono van de Universiteit Leiden. “Dit is nieuw.”

Op deze foto is het gebied rondom protoster TMC1A goed te zien. Rood zijn gebieden met veel stofdeeltjes. De groene en blauwe gebieden laten twee soorten koolmonoxide zien. In het binnenste gedeelte is geen koolmonoxidestraling te zien, wat duidt op de aanwezigheid van stofdeeltjes groter dan één millimeter.

Het verklaart wel hoe grote planeten als Saturnus en Jupiter kunnen ontstaan. Astronomen beweren dat alleen jonge protoplanetaire schijven genoeg materie bevatten om zulke reuzenplaneten te vormen. Dit betekent dat de twee grootste planeten van ons zonnestelsel waarschijnlijk zijn gevormd toen onze zon nog een protoster was.

De onderzoekers beweren dat er wel meer observaties nodig zijn. “Het zou natuurlijk kunnen dat deze deeltjesgroei tot nu toe alleen in deze ene planeetvormende schijf plaatsvindt”, zegt onderzoeker Matthijs van der Wiel van ASTRON. “Misschien is deze jonge schijf wel heel speciaal.”

Vandaar dat het onderzoeksteam de jacht naar samenklonterende stofdeeltjes wil uitbreiden. In de toekomst worden andere stofschijven rondom protosterren onderzocht om meer gegevens te verzamelen.

Meer weten over dit onderzoek? Deze week is het paper te lezen in het wetenschappelijke vakblad Nature.