Drie onderzoekers over wat hen in vreemde tijden met veel zorgwekkende ontwikkelingen op politiek, cultureel, maatschappelijk en ecologisch gebied, hoop geeft.

De bekende journalist Joris Luyendijk heeft voor het onlangs verschenen boek HOOP (uitgegeven door MAVEN Publishing) aan 100 wetenschappers, kunstenaars en ondernemers gevraagd wat hen anno 2019 hoop geeft. Of, in zijn woorden: “Welke concrete stap, mijlpaal of gebeurtenis in jouw expertisegebied zie jij als een teken van aanstaande verbetering van de wereld?” De antwoorden zijn bij vlagen ontnuchterend en ontroerend. En wij mogen alvast een voorproefje geven en onthullen wat Louise Vet – hoogleraar Ecologie aan de Wageningen University en Directeur Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO- KNAW) – Tim van Opijnen – hoogleraar Microbiële Systeembiologie aan het Boston College en medeoprichter van Sciencepalooza, Discovery Festival en Nederland in ideeën – en Lucas Ellerbroek – sterrenkundige aan de Universiteit van Amsterdam en auteur van het boek Planetenjagers: Op zoek naar buitenaards leven – hoop geeft.

Louise Vet. Afbeelding: Perro de Jong / NIOO-KNAW.

Louise Vet
“Flats! Met een welgerichte mep zie ik weer een onschuldig insect vermorzeld worden. Bloedvlek op de muur. Ja, natuurlijk zijn er muggen en andere steekbeesten die bijna iedereen wel dood wil slaan. Maar alleen de vrouwtjesmuggen steken, hè. Heeft-ie van die mooie gevederde antennes, dan is het een mannetje. Die hoeft dus helemaal niet dood om bulten te voorkomen. En sterker nog: als je goed kijkt, zijn er veel meer soorten insecten. En de meeste daarvan verdienen sowieso geen genadeslag. Gelukkig zien steeds meer mensen dat in. Letterlijk, omdat ze echt kijken of zelfs als citizen scientist waarnemingen doorgeven. Maar ook omdat het door begint te dringen dat het met die onmisbare natuur droevig gesteld is. Want waar zijn onze insecten gebleven? In de laatste dertig jaar zijn we al 75 procent kwijtgeraakt. En onze boerenlandvogels? Sinds 1960 is het aantal met 60 tot 70 procent teruggelopen. Zij eten insecten. Tweeënhalf miljoen broedvogels minder in ruim vijftig jaar! Patrijzen, zomertortels, ringmussen en ook onze nationale vogel de grutto gedecimeerd. Au! Zonde. Doodzonde, want onze maatschappij staat of valt uiteindelijk met het behoud van alles wat leeft. Om even bij de insecten te blijven: ze zijn voedsel voor onze vogels, bestuiven onze gewassen, beschermen planten tegen vraatzuchtige plaaginsecten en wat niet meer. Samen met alles wat leeft zijn ze onderdeel van een heel ingewikkeld netwerk van soorten, die op vaak miraculeuze wijze met elkaar verbonden zijn. Een rijk en superveerkrachtig netwerk van overvloed, beïnvloeding, afhankelijkheid, samenwerking, synergie. Daar kan menig organisatiedeskundige van leren, en sommige doen dit daadwerkelijk al. Zonder (bio)diversiteit geen goed functionerende (eco)systemen die ons schone lucht, vruchtbare bodems, gezuiverd water en heel veel producten leveren. Gratis en voor niets!


“Kijk naar wat je kan leren van de natuur, die tenslotte al bijna vier miljard jaar prima zonder ons gefunctioneerd heeft”

Ach, mensen en natuur, het is wat. De een kijkt ernaar met een zwarte bril: alles wat leeft – behalve wellicht huisdieren – is jak, eng en moet op afstand gehouden worden. Grappig is dat er ook een compleet andere mens-natuurverhouding is, waar de commercie graag misbruik van maakt. Dat is die met de roze bril. Mensen die alles wat ‘natuurlijk’ is per definitie goed en gezond vinden. Een gevaarlijke bril, als je bedenkt dat de meest dodelijke gifstoffen uit die ‘lieve’ natuur komen. De gifbeker van Socrates bevatte het dodelijke gif coniine uit een plant die ook bij ons voorkomt: de gevlekte scheerling. En die lijkt wel een beetje op het eetbare kruid kervel. Pas op, wildplukkers! Veel verwante stoffen, met de naam alkaloïden, zijn krachtige geneesmiddelen en psychoactieve stoffen. Zoals cafeïne, morfine, codeïne, cocaïne, mescaline, kinine. Genoeg voor een heel bijzondere maaltijd dus… Eet smakelijk!
Zwart of roze, het is tijd om met een nóg andere bril naar die natuur te kijken. Een bril die de natuur ziet als leermeester, als mentor. Een bril die weleens heel functioneel kan zijn en die mij veel hoop geeft voor de toekomst van mens én natuur. Met deze bril op kijk je naar wat we kunnen leren van die natuur, die tenslotte al bijna vier miljard jaar prima zonder ons gefunctioneerd heeft. De natuur houdt niet van problemen en zij is meedogenloos ondernemend. Al die R&D heeft natuurlijk prima oplossingen opgeleverd. Daar kunnen we van profiteren, als we de lessen maar herkennen. Denk aan circulariteit bijvoorbeeld: er bestaat toch geen afval in de natuur? Het is kringlopen wat de klok slaat. Daar hebben we van geleerd en dat willen we nu dus ook voor de menselijke maatschappij. Denk verder aan zonne-energie, waar de hele natuur op draait. Die les hadden we al veel eerder moeten leren. En denk ook aan het belang van diversiteit, de basis voor al het leven, voor risicospreiding. Dat besef begint nu eindelijk te groeien. Een ander soort les draait om samenwerken. Als binnen een netwerk synergie ontstaat, kan 1+1 ook 3 worden. Dat betekent dat alle partijen en het hele systeem er voordeel van hebben. Dat is een belangrijke kracht in de natuur, die bijdraagt aan de stabiliteit. Kunnen we die les ook gebruiken? Ik denk het wel. Vooral onconventionele combi’s tussen verschillende disciplines zijn spannend en ze leveren vaak onverwacht positieve resultaten op! We zien dat al binnen de wetenschap, maar het werkt ook bij maatschappelijke bewegingen. Breng mensen met verschillende en zelfs tegengestelde belangen bijeen en inspireer ze hetzelfde doel na te streven. Met als uitgangspunt dat ieder er beter van moet worden. Kom uit die loopgraven en floep, daar duiken onverwachte oplossingen op! Zo hoop ik op het succes van onze brede maatschappelijke coalitie van wetenschappers, natuurorganisaties, boeren, retail, banken en andere bedrijven bij het herstellen van die onontbeerlijke biodiversiteit. Waarbij we gaan werken mét de natuur in plaats van ertegen. Daarvoor zetten we geen roze of zwarte maar een veelkleurige bril op. Veelkleurig en veelzijdig: net als dat onmisbare leven op aarde. Samen moet het lukken!”

Tim Van Opijnen in zijn laboratorium.

Tim van Opijnen
“Hoop, er zijn tijden dat ik er veel van heb, terwijl het soms in één keer lijkt te zijn verdampt. Mijn werk in de wetenschap, in de zoektocht naar betere en snellere oplossingen om mensen tegen infectieziekten te beschermen, leent zich ervoor om tussen hoop en dan weer wanhoop heen en weer te worden geslingerd. Wetenschap en het uitwerken van je eigen ideeën in mooie hypothesen en experimenten is enorm spannend. Maar, als wetenschapper is het een goede strategie om jezelf voor de gek te houden, want meestal mislukt je experiment of valt je hypothese in duigen en moet je ergens de hoop vandaan halen dat er toch echt wel iets moois in je onderzoek verscholen zit.
Wanneer je in de wetenschap werkt, en wil blijven werken, is het goed om niet heel snel te leren dat het meeste werk dat je doet mislukt, het is iets waar je langzaamaan aan moet wennen, zoals een kikker in een pan water op het vuur. Als je net begint met wetenschappelijk onderzoek is je onhandigheid, vergeetachtigheid of onwetendheid meestal de oorzaak van het mislukken van een experiment. Maar op een bepaald moment groeit, met je toenemende ervaring, het besef dat het uiteindelijk ook inherent aan onderzoek doen is dat het meeste van je werk in de prullenbak verdwijnt. Einstein schijnt ooit gezegd te hebben: ‘If we knew what it was we were doing, it would not be called research.’ En dus als je idee, hypothese of experiment voor de zoveelste keer niet klopt is het goed te beseffen dat het ‘research’ is dat je doet, en dat mislukkingen onvermijdbaar zijn. Je moet dus een beetje resistent worden tegen falen, en daarbij tegen het verliezen van hoop, om dan snel die hoop weer te hervinden. Want zonder hoop geen leven. En juist dat lukt niet iedereen en is een van de redenen dat psychische stoornissen, depressie en zelfs zelfmoord onder wetenschappers een aantal malen hoger liggen dan bij de gemiddelde bevolking.

“Het is goed om te beseffen dat onderzoek doen echt moeilijk is, dat we soms geen idee hebben waar we mee bezig zijn en de enige manier om verder te komen is om maar wat te proberen”

Ik vind het soms ook moeilijk om hoopvol te blijven als het onderzoek in mijn lab weer eens een obstakel raakt. Het is dan goed te beseffen dat al mijn collega’s dat ook hebben, dat onderzoek doen echt moeilijk is, dat we soms geen idee hebben waar we mee bezig zijn en de enige manier om verder te komen is om maar wat te proberen. Dat verklaart ook, in ieder geval gedeeltelijk, waarom de meeste grote farmaceutische bedrijven zich uit het onderzoek naar nieuwe antibiotica hebben teruggetrokken: het is supermoeilijk, het meeste werk dat ze doen mislukt en het is nog maar de vraag of als er iets nieuws wordt gevonden, er ooit geld mee kan worden verdiend.
Ook het ouder worden heeft waarschijnlijk een belangrijk effect op mijn voortvluchtige hoop. Ik maak me steeds meer zorgen over van alles, over het klimaat, terrorisme en de staat van de hedendaagse muziek. Ik ben bijna mid-veertig dus het kan niet anders dan ouderdom of een beginnende midlifecrisis zijn. Alhoewel, twaalf jaar geleden ben ik naar Boston verhuisd vol hoop over het beoefenen van onderzoek aan infectieziekten in het walhalla van het levenswetenschappelijk onderzoek. Niet veel later werd Obama, de keizer van de hoop, ook nog verkozen tot president. Het voelde als een ommekeer, mensen fietsten joelend met vlaggen in Cambridge over straat, auto’s toeterden alsof het WK voetbal was gewonnen. De maatschappij veranderde voelbaar overnight om het depressieve conservatisme van Bush af te schudden en de nieuwe hoopvolle wereld van gelijkheid onder Obama te omarmen. Fast-forward naar vandaag, en er is weinig van die hoop over. Hoopvol zagen we het land hand in hand met de wereld vooruitgaan, nu hollen we razendsnel achteruit: klimaatverandering is een leugen, gelijkheid tussen mensen is een fantasie, de meeste vormen van abortus dreigen op federaal niveau razendsnel verboden te worden en het rechtssysteem, met het hooggerechtshof voorop, is minimaal voor de komende tien jaar bevroren in een conservatieve intolerante Behemoth.
Je moet hoopvol zijn om iets moois van het leven te maken, om plezier te hebben, om gelukkig of succesvol of beide tegelijk te zijn. Maar hoop is het meest vluchtige goedje dat er is, zo heb je het, en zo is het weer weg. Maar vandaag heb ik het te pakken want volgend jaar zijn alweer de verkiezingen in de VS, we hebben net een prachtige hypothese in het lab bedacht en ik hoorde vanmorgen mijn nieuwe favoriete liedje op de radio.”


Lucas Ellerbroek

Lucas Ellerbroek
“In de ochtend van 6 februari 2018 klinkt de brul van tienduizend leeuwen vanaf de lanceerbasis op Cape Canaveral. Langzaam stijgt het nieuwe vlaggenschip van SpaceX op, omringd door een wolk van vuur en uitlaatgassen. De Falcon Heavy is een panfluit van raketten. Het lijkt of een kind met een legodoos aan de gang is geweest: twee stuwraketten zijn bijgeplaatst aan de zijkanten van een centrale raket. Boven op die raket zit een satelliet, die uiteindelijk in een baan rond de aarde moet raken. Bij het zien en horen van raketlanceringen voel ik een combinatie van ontzag en afschuw. Enerzijds heb ik ontzag voor dit summum van technologie. De kracht van een atoombom wordt gebundeld, gericht en gedoseerd naar beneden afgevuurd, totdat een zo hoge snelheid bereikt wordt dat de lading in een baan rond de
aarde komt. Anderzijds realiseer ik me hoe vervuilend en onduurzaam de ruimtevaart is. De lanceerkosten zijn hoog, en elke extra gelanceerde kilo kost exponentieel meer brandstof, omdat die brandstof zélf ook gelanceerd moet worden. Bovendien is de raket, goed voor 90 procent van de massa, niet herbruikbaar. Het is alsof je na elke vlucht het vliegtuig weggooit.

“Elke kostenreductie die in de ruimtevaart plaatsvindt is een stap in de richting van een betaalbare infrastructuur in de ruimte”

Hoe dan ook: ruimtevaart is een onderdeel van de maatschappij. Satellieten faciliteren communicatie en navigatie op aarde, en brengen ons kennis over onze planeet. Sondes verkennen onze buurplaneten en hun manen; ruimtetelescopen turen in het verre en vroege heelal. Op aarde is de ruimtevaart een trekpleister voor ingenieurstalent, een aanjager van innovatie. Op lange termijn is de ruimtevaart misschien zelfs nodig om het leven van de groeiende wereldbevolking te faciliteren. In de toekomst zal het mogelijk worden om in de ruimte grondstoffen te delven, materialen te produceren en energie te winnen. Over ruimtekolonies wordt hardop gedroomd, al bestaan er veel twijfels over hun nut, urgentie en bouwbaarheid. Om van de ethische en juridische implicaties nog maar te zwijgen. Om al deze toekomstmuziek te verwezenlijken is een grotere infrastructuur in de ruimte nodig – en om daar te komen dient het betaalbaar te worden om ernaartoe te gaan. Elke kostenreductie die in de ruimtevaart plaatsvindt is een stap in die richting. Het hergebruiken van rakettrappen kan natuurlijk schijnduurzaamheid zijn. Als het goedkoper wordt om raketten te lanceren, zal de vraag navenant groeien en de vervuiling van de aarde netto toenemen. Raketten recyclen zal alleen dan bijdragen aan duurzaamheid als de kostenreductie wordt gebruikt voor investeringen in onderzoek naar, en ontwikkeling van, bijvoorbeeld schonere brandstof en nieuwe propulsiemethodes.
Al mijmerend en mopperend zie ik de panfluit in de wolken verdwijnen. Ik moet niet verwachten dat de kapotgedweepte Elon Musk met SpaceX de mensheid zal redden – daarvoor ontbreekt zelfs hem het aan tijd en middelen. En uiteindelijk misschien ook aan motivatie. Maar toch. Acht minuten na de lancering: twee vuurballetjes verschijnen aan de hemel. De stuwraketten komen terug. Kaarsrecht dalen ze af, als een invasie van ruimteschepen. Ze landen netjes op de platformen. De duurzame ruimtevaart is een stapje dichterbij. Dat geeft mij hoop.”

Meer hoopgevende verhalen lezen? Het boek HOOP is nu te koop! Naast de bijdragen van Vet, Van Opijnen en Ellerbroek kun je in het boek onder meer ook lezen wat Gerard ’t Hoofd (Nobelprijswinnaar Natuurkunde), Dick Swaab (hersenwetenschapper), Stine Jensen (filosoof) en Lavinia Meijer (harpist) hoop geeft. In totaal bevat het boek maar liefst 100 artikelen die samen doen vermoeden dat er alleszins hoop is.