Deze week buigen wetenschappers en belangstellenden zich tijdens een internationaal symposium in Utrecht en Leiden over de nalatenschap van Da Vinci. Wij blikken alvast vooruit met letterkundige Emma Grootveld.

Het is dit jaar precies 500 jaar geleden dat Leonardo Da Vinci overleed. Hoewel de man een half millennium geleden leefde, kennen velen anno 2019 zijn naam. En de meesten zullen er ook wel in slagen enkele werken van zijn hand te noemen. Zo spreekt de Mona Lisa nog altijd enorm tot de verbeelding. En velen zullen zich moeiteloos ‘Het laatste avondmaal’ en Da Vinci’s ‘Vitruviusman’ voor de geest kunnen halen. Maar ook Da Vinci zelf blijft de gemoederen bezighouden. Zo verscheen er onlangs nog een studie die suggereerde dat de indrukwekkende creativiteit van de grote meester deels te verklaren is doordat hij ADHD had. “Met zijn oneindige verbeeldingsvermogen en experimentele drift is Leonardo een mythe geworden,” bevestigt Emma Grootveld, verbonden aan de Universiteit Leiden en mede-organisator van het internationale symposium ‘Leonardo en de Lage Landen’ (‘Leonardo e i Paesi Bassi’) dat vandaag en morgen respectievelijk in Utrecht en Leiden plaatsvindt.

De Vitruviusman, van de hand van Leonardo da Vinci. De tekening zou rond 1490 gemaakt zijn.

Da Vinci en de Lage Landen
Da Vinci had waarschijnlijk niet kunnen bedenken dat hij 500 jaar na zijn dood in de Lage Landen in de schijnwerpers zou worden gezet. Maar wie denkt dat de Italiaan – Da Vinci werd geboren in het Italiaanse plaatsje Anchiano, nabij Florence – helemaal niets met Nederland en België had, heeft het mis. “Het is onwaarschijnlijk dat Leonardo zelf in de Lage Landen is geweest,” vertelt Grootveld. “Wel zijn er werken van zijn Milanese leerlingen naar de Nederlanden gebracht, en dan vooral naar het huidige Vlaanderen.” Aldaar kon men de werken van Da Vinci ook zeker waarderen en kunstenaars in de Lage Landen lieten zich graag door Da Vinci inspireren. “Het Antwerpse atelier van de ‘Leonardo van het Noorden’ Joos van Cleve, bijvoorbeeld, maakte veelvuldig gebruik van het Leonardeske motief met Christus en Johannes de Doper.”


Portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw, geschilderd door Jan van Eyck, in opdracht van een Toscaans echtpaar.

Inspiratiebronnen
Da Vinci liet zich op zijn beurt ook weer inspireren door kunstenaars uit de Lage Landen. Onder andere Jan van Eyck – het werk dat je hieronder ziet, is van zijn hand – en Rogier van der Weyden deden dienst als inspiratiebronnen. “Dankzij de bloeiende handel tussen Florence en rijke steden in de Lage Landen kwamen schilderijen van Vlaamse meesters in Florence terecht, waar Leonardo werkzaam was in het atelier van Verrocchio (Andrea del Verrocchio, leermeester van Da Vinci, red.). De olieverftechniek die men in het Noorden gebruikte was in Italië nog niet bekend en Leonardo, die gewend was aan tempera op eierbasis, was er diep van onder de indruk: olieverf liet immers toe om veel gedetailleerder te werken en meer glans aan een werk te geven. Leonardo begon al snel met olie te experimenteren.”

Abdij van Tongerlo
Hoewel Da Vinci waarschijnlijk nooit in de Lage Landen is geweest, zijn er voorzichtige aanwijzingen dat in ieder geval één van zijn kunstwerken wel de weg naar Vlaanderen wist te vinden. Eerder dit jaar suggereerde een internationaal onderzoeksteam onder leiding van professor Jean-Pierre Isbouts (verbonden aan de Fielding Graduate University in Santa Barbara) dat Da Vinci betrokken was bij de totstandkoming van een canvas dat in de Abdij van Tongerlo hangt en ‘Het laatste avondmaal’ verbeeldt. Lang werd gedacht dat het een willekeurige kopie van Da Vinci’s beroemde fresco was. Maar Isbouts is er tamelijk van overtuigd dat Da Vinci zelf betrokken is geweest bij de realisatie van het canvas in Tongerlo en er mogelijk zelfs aan heeft meegeschilderd. Da Vinci reisde daarvoor niet af naar Vlaanderen; het canvas zou in Italië beschilderd zijn.

Het canvas in de Abdij van Tongerlo. Afbeelding: Imec.

Er zijn verschillende geschreven bronnen die Isbouts hypothese lijken te onderschrijven. Eén van die bronnen onthult bijvoorbeeld dat de Franse koning Lodewijk XII heel gecharmeerd was van Da Vinci’s ‘Het laatste avondmaal’ en het eigenlijk naar Frankrijk wilde laten overbrengen. Dat ging natuurlijk niet, omdat het een muurschildering betreft. In dezelfde tijd experimenteerde Da Vinci – als eerste kunstenaar – met het schilderen op canvas, dat (eventueel opgerold) wel gemakkelijk getransporteerd kon worden. En Da Vinci zou uiteindelijk – geholpen door zijn leerlingen – sommige van zijn werken op canvas hebben gekopieerd. Als klap op de vuurpijl zijn er ook bronnen die melden dat een groot doek met daarop ‘Het laatste avondmaal’ de weg naar het Franse hof wist te vinden én dat een canvas met daarop dezelfde beeltenis later aan de abt van het klooster in Tongerlo werd verkocht. Hoewel die bronnen suggereren dat het kunstwerk in de abdij uit Italië afkomstig is, is nog niet bewezen dat Da Vinci er ook aan meewerkte. Met behulp van moderne technologieën probeert men dat nu vast te stellen. Zo zijn er recent hyperspectrale beelden in het zichtbare en infrarode spectrum gemaakt om meer te weten te komen over de verschillende verflagen, gebruikte pigmenten, eventuele onder de verf schuilgaande tekeningen en het blootleggen van penseelstreken die vervolgens weer vergeleken kunnen worden met penseelstreken in werken waarvan we zeker weten dat ze door Da Vinci zijn geschilderd.

Ook vandaag kan Da Vinci nog als inspiratiebron dienen voor kunstenaars, zo bewijst Elisa Pesapane die deze tekening speciaal voor het symposium maakte. Afbeelding: elisapesapane.com.

Grootveld sluit zeker niet uit dat er in de toekomst – geholpen door moderne technieken, zoals hyperspectrale scans – nog meer verbanden tussen Da Vinci en de Lage Landen worden gevonden. Zeker is dat de kunstenaar ook 500 jaar na zijn dood nog genoeg gesprekstof oplevert. Daarvan getuigt ook het bomvolle programma dat Grootveld en collega’s voor het internationale symposium omtrent de grote meester hebben samengesteld. “Op de eerste congresdag in Utrecht staat Leonardo zelf centraal en zullen verschillende Leonardo-experts, waaronder Michael Kwakkelstein, de laatste ontwikkelingen in het veld bespreken. De tweede dag in Leiden is daarnaast ook gericht op het bestuderen van de mythevorming zelf. In de laatste sessie wordt expliciet besproken wat we vandaag de dag nog van Leonardo kunnen leren, en hoe hij de moderne mens kan inspireren. Kunsthistorica Eva Rovers bespreekt daar bijvoorbeeld de ‘Leonardo van de twintigste eeuw’, Richard Buckminster Fuller, over wie ze onlangs een boek heeft uitgebracht. Ze laat zien hoe uitvinders uit het verleden soms oplossingen boden voor het heden – een uitgangspunt dat de waarde van (wetenschaps)geschiedenis goed in de verf zet. Ook de eenentwintigste eeuw stelt ons voor kwesties waarop we niet altijd met een definitief, duidelijk omlijnd antwoord kunnen komen. Openheid, herpositioneren, steeds maar verder willen experimenteren en accepteren dat iets ook wel eens niet lukt: dat zijn houdingen waarbij Leonardo als voorbeeld kan dienen.”