De kans dat virussen van dier op mens overspringen, wordt groter als je je met het leven van die dieren gaat bemoeien.

Dat is kortgezegd de conclusie die Amerikaanse onderzoekers trekken in het blad Proceedings of the Royal Society B. Ze baseren zich op een grootschalig onderzoek, waarin ze zich bogen over maar liefst 142 zoönosen, oftewel virussen die van dier op mens zijn overgesprongen.

Methode
De onderzoekers zochten voor elk virus uit via welk dier het waarschijnlijk op de mens was overgesprongen. En vervolgens pakten ze er de Rode Lijst van de International Union for Conservation of Nature (IUCN) bij om te kijken hoe deze diersoorten ervoor stonden. Het leidt de onderzoekers naar een heldere conclusie: veel zoönosen hebben we aan onszelf te danken. Doordat wij de natuur uitbuiten – bijvoorbeeld door op dieren te jagen en hun leefgebieden te vernietigen – komen we in contact met diersoorten waar we normaliter geen (nauw) contact mee zouden hebben en faciliteren we de anders onmogelijke overdracht van virussen die in deze dieren huizen, op mensen. “De overdracht van virussen van dieren op mensen is het directe resultaat van onze acties die gevolgen hebben voor wilde dieren en hun leefgebied,” aldus onderzoeker Christine Kreuder Johnson. “Het gevolg is dat zij hun virussen met ons delen.”


Zo blijkt uit het onderzoek bijvoorbeeld dat diersoorten die door toedoen van menselijk handelen met uitsterven bedreigd worden, twee keer vaker de bron van zoönosen zijn dan dieren die om andere redenen dreigen uit te sterven. Daarnaast blijken ook dieren die zich (noodgedwongen) aangepast hebben aan een leven onder of nabij mensen – denk aan vleermuizen en sommige knaagdieren – heel vaak virussen op mensen over te dragen. Hetzelfde geldt voor gedomesticeerde dieren, zoals vee, waarmee mensen eveneens frequent en nauw contact hebben.

Steeds meer zoönosen
De processen die ertoe leiden dat wilde dieren hun virussen op mensen kunnen overdragen, zijn dus gelijk aan de processen die ertoe leiden dat veel van deze soorten momenteel in de knel zitten. Het is allemaal te herleiden naar het feit dat mensen een steeds grotere inbreuk maken op het leefgebied van dieren. En dat leidt er dan weer toe dat zoönosen steeds vaker opduiken, zo vertelt onderzoeker Pranav Pandit aan Scientias.nl. “Zoönosen zijn geen modern verschijnsel en vormen al gedurende de hele geschiedenis van de mens een bedreiging. Bijna 70% van de menselijke infecties vindt zijn oorsprong in andere diersoorten. Wat wel nieuw is, is de alarmerend hoge snelheid waarmee nieuwe zoönosen opduiken. Onze studie identificeert de drijvende krachten achter die recente trend.” En onthult dat ons – als we zo doorgaan – nog meer te wachten staat. “Als we leefgebieden blijven aantasten en sommige diersoorten blijven uitbuiten, mag je verwachten dat er nog meer nieuwe infectieziekten gaan opduiken.”

Duurzamer
Een heel goede reden om anders met de natuur om te gaan. “Duurzamer, geïnformeerd en met aandacht voor de manier waarop onze activiteiten het ontstaan van nieuwe ziekten bevordert,” stelt Johnson. “De menselijke gezondheid en de gezondheid van dieren en de gezondheid van het milieu zijn nauw met elkaar verbonden.”


Voorlichting
Maar..is er eigenlijk nog wel een weg terug? Mensen zijn al op zoveel plaatsen wereldwijd het leefgebied van dieren binnengedrongen, dat dat inderdaad niet gemakkelijk zal zijn, zo stelt Johnson desgevraagd. “Maar er zijn veel manieren waarop we het contact met wilde dieren kunnen – en zouden – moeten beperken. In veel gevallen vereist de overdracht van ziekten een nauwe omgang met wilde dieren, waarbij er bijvoorbeeld direct contact met urine of uitwerpselen nodig is.” Wat meer voorlichting over de risico’s van dergelijke contacten, zou bijvoorbeeld al een verschil kunnen maken, denkt Johnson.

COVID-19
Of de overdracht van ziekten van dieren op mensen ooit echt helemaal voorkomen kan worden, is echter twijfelachtig. En het is dan ook te kort door de bocht om op basis van deze studie te concluderen dat COVID-19 met wat meer voorzichtigheid van onze kant nooit een kans had gehad. “De opkomst van COVID-19 is een onfortuinlijke samenloop van vele ecologische en epidemiologische factoren, die ons voor een deel onbekend waren en nu pas stukje bij beetje ontrafeld worden. Veel van deze factoren zijn samengekomen op een manier die we lastig hadden kunnen zien aankomen en het is lastig om te weten wat precies zal leiden tot de opkomst van een nieuwe ziekte op zo’n grote schaal en met zo’n grote impact als COVID-19. Wat wel belangrijk is, is om de kennis die we hebben opgedaan over risicovolle activiteiten (zoals bijvoorbeeld de jacht op bepaalde diersoorten, red.) te omarmen en op basis daarvan manieren te vinden om de kans op ziekten te verkleinen.”

Voor SARS-CoV-2 komen deze inzichten te laat; het virus heeft zich reeds over de wereld verspreid en in talloze landen een hoge tol geëist. Maar wellicht kan deze ellende ook onze ogen openen. Onderzoeker Tierra Smiley Evans: “Vaak is er een vernietigende gezondheidsramp nodig om mensen niet alleen na te laten denken over een reactie, maar ook over preventie. Wij hopen dat deze crisis ertoe zal leiden dat beleidsmakers meer gaan doen om te voorkomen dat het volgende virus op mensen kan overspringen en een pandemie veroorzaakt. Ook zijn we hoopvol dat mensen hier lering uit trekken en in de gaten krijgen hoe groot de impact is die zij hebben op de natuur en hoe groot de impact is die die natuur daardoor weer op ons heeft.”