neanderthaler

Neanderthalers hadden grotere ogen dan moderne mensen die in die tijd leefden. Ook was een groter deel van hun brein betrokken bij het verwerken van visuele informatie. En daardoor bleef er minder ruimte over voor andere – ook niet onbelangrijke – onderdelen van het brein. En wellicht werd dat de Neanderthaler fataal.

Wanneer we de schedel van een Neanderthaler naast de schedel van een modern mens uit dezelfde tijd leggen, valt direct op dat ze beiden even groot zijn. Maar dat wil niet zeggen dat hun brein vergelijkbaar was, zo stellen wetenschappers nu. Een nieuwe studie wijst er namelijk op dat het brein van Neanderthalers en moderne mensen heel anders georganiseerd was en dat dat wel eens kan verklaren waarom de moderne mens er vandaag de dag nog is, terwijl de Neanderthaler al zo’n 35.000 jaar van de aardbodem verdwenen is.

Visueel
Wetenschappers bestudeerden de oogkassen en de schedel van de Neanderthalers. Op basis daarvan schatten ze hoe groot de ogen en het deel van de hersenen dat betrokken was bij het verwerken van visuele informatie, was. Uit het onderzoek blijkt dat zowel de ogen als de delen van het brein die visuele informatie verwerken bij Neanderthalers groter waren dan bij moderne mensen.

Waarom grotere ogen?
Dat Neanderthalers grotere ogen hadden en ook een groter deel van hun brein gebruikten om visuele informatie te verwerken, is goed te verklaren. De Neanderthaler leefde op hogere noordelijke breedtes en daar is aanzienlijk minder licht dan bijvoorbeeld in de tropen. Vandaar dat de Neanderthalers onder meer die grotere ogen goed konden gebruiken. Vandaag de dag zien we datzelfde bij moderne mensen die op hogere breedtes wonen: ook zij hebben vaak grotere ogen en een grotere visuele cortex.

Te weinig ruimte
Uit eerder onderzoek was ook al gebleken dat Neanderthalers in vergelijking met moderne mensen een groter deel van hun brein inzetten voor het controleren van hun lichaam. En nu blijkt dat ze dus ook een groter deel van hun brein inzetten voor het verwerken van visuele informatie. Tegelijkertijd blijkt dat hun brein niet groter was dan dat van moderne mensen. Dat wijst erop dat de organisatie van hun brein dus heel anders was dan dat van de moderne mensen. En dat er minder ruimte in het brein beschikbaar was voor andere belangrijke mentale processen.

Sociale groepen
Eén van die mentale processen die de Neanderthaler door het gebrek aan ruimte in het brein wellicht boven de pet ging, was omgaan met en onderdeel uitmaken van complexe, grote sociale groepen. Moderne mensen waren uitstekend in staat om in grote, complexe groepen samen te leven. Maar de Neanderthaler niet. En dat heeft de overlevingskansen van de Neanderthaler waarschijnlijk aanzienlijk negatief beïnvloed. De kleinere groepjes waren wellicht veel minder goed in staat om zich aan te passen aan een veranderend klimaat en de competitie met moderne mensen aan te gaan. “Onze studie schat welk deel van hun brein betrokken was bij cognitieve functies, waaronder het organiseren van een sociale groep,” vertelt onderzoeker Chris Stringer. “Minder ruimte in het brein voor dat laatste kan implicaties hebben gehad voor de mate van complexiteit van hun sociale groepen en hun vaardigheden om dingen te creëren, te behouden en innovaties door te voeren.”

De onderzoekers vermoeden dan ook dat de organisatie van het brein en de tekortkomingen die de Neanderthaler daardoor had, hebben bijgedragen aan het uitsterven van de mensachtige. Dat schrijven ze in het blad Proceedings of the Royal Society B.