Doordat wij wegen of akkers aanleggen, verbrokkelen natuurgebieden en wordt het wereldje van veel organismen zo klein dat ze het hoofd bijna niet boven water kunnen houden.

De Nederlandse vogelaar Arjan Dwarshuis, die vorig jaar een record aantal vogels zag, had het er maar moeilijk mee. Terwijl hij in het laatste stuk laaglandregenwoud in de Filipijnen de meest schitterende vogels zag, ratelden de kettingzagen onafgebroken links en rechts om hem heen. Het bos werd gekapt waar hij bij stond. Eigenlijk had Dwarshuis blij moeten zijn met het zien van deze ongekende vogelrijkdom, toch liep hij daar continu met een brok in zijn keel, tussen de smeulende boomresten. Dan zag hij weer een kansloze neushoornvogel wegvliegen. De wetenschap dat dit prachtige bos er in recordtempo aanging, maakte Dwarshuis echt down. Een totaal verscheurde streek, met her en der een overgebleven stukje bos tussen kaalgekapte vlakten.
Maar niet alleen in de tropische regenwouden rond de evenaar vindt vernietiging van de natuur plaats. Kijkend naar de kaart van Nederland, zien wij ook hier steden en dorpen, met elkaar verbonden door een lint aan wegen. Voor wilde dieren is er bijna geen doorkomen meer aan. Zij kunnen moeilijk van het ene gebied naar het andere te trekken, zonder – in het gunstigste geval – bijna van de sokken te worden gereden. Ook hier slechts eilandjes natuur, tussen asfalt en nog eens asfalt. Hoe ziet de toekomst eruit voor wilde dieren? Die ooit gewend waren van het ene gebied naar het andere te kunnen trekken?

Bosfragmenten
Caspar Verwer, onderzoeker bij de Nederlandse tak van de International Union for Conservation of Nature (IUCN NL), houdt zich bezig met Connectiviteit en Habitatfragmentatie. “Het verbinden van natuurgebieden is van groot belang voor het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten,” zo vertelt hij aan Scientias.nl. Op steeds meer plaatsen wereldwijd vallen aaneengesloten stukken natuur in veel kleine, niet langer met elkaar verbonden, fragmenten uiteen. Een soort ‘eilandjes’ van natuur in een zee van gecultiveerd landschap, aldus Verwer.

Een deel van de Transamazonica of BR-230, een weg die dwars door het Amazonegebied loopt. Onderzoek wijst uit dat de aanleg van de weg tot meer ontbossing heeft geleid, omdat deze het regenwoud een stuk toegankelijker maakt. Afbeelding: Keith Irwin (via Wikimedia Commons).

Economische ontwikkelingen
Natuur verdwijnt op grote schaal door economische ontwikkelingen, zoals de uitbreiding van weidegronden voor de veeteelt of door de aanleg van sojavelden en de ontwikkeling van oliepalmplantages. Samen met de aanleg van wegen en andere infrastructuur zoals stuwdammen leidt deze ontbossing ertoe dat het bos uiteenvalt in kleine ‘eilandjes’. Wanneer de afstand tussen die eilandjes te groot wordt, kunnen veel diersoorten niet meer van het ene naar het andere eiland hoppen en raken ze dus geïsoleerd. “Met het aanleggen van wegen, steeds dieper het woud in, worden meer en meer bomen omgehakt en ontstaan grote kale vlakten, waar niets meer groeit: het bos versnippert. Tussen de bebouwde akkers staan nog slechts resten van het vroegere regenwoud.”

Een versnipperd leefgebied is één van de redenen dat de Sumatraanse neushoorn het moeilijk heeft. Afbeelding: Alan (via Wikimedia Commons).

Eiland hoppen
De theorie van het eilandhoppen werd al in 1967 beschreven in het boek “The theory of Island Biogeography“, door Robert H MacArthur en Edward O. Wilson. Verwer: “Beide heren leggen een verband tussen de biodiversiteit van een eiland en de combinatie van de oppervlakte van dat eiland en de afstand van dat eiland tot een ander eiland. De biodiversiteit, dus zeg maar het aantal soorten dat op een eiland voorkomt, wordt volgens een bepaalde formule berekend: S = I+s-E, eenvoudig gezegd: het aantal soorten op een eiland is gelijk aan Immigratie + soortvorming – Extinctie”, oftewel uitsterven. Verwer: “Dat ging over echte eilanden in de oceaan, maar de theorie blijkt evengoed toepasbaar op het land. Bij grote bosfragmenten is de immigratie groter dan bij kleine, omdat de kans groter is dat het fragment wordt ontdekt. Immigratie neemt af naarmate de afstand tot andere fragmenten toeneemt. Interessant is ook dat de vorm van het bosfragment uitmaakt. Een grillig gevormd stuk bos herbergt vaak minder soorten dan een vierkant stuk bos van dezelfde oppervlakte. Dat komt doordat de randen van het bos voor veel soorten minder geschikt zijn als leefgebied. De eerste 10 meter vanaf de rand van het bos wordt door veel minder soorten bewoond, dan 50 meter dieper het bos in. En daar zit ‘m juist de crux. Veel van de bosfragmenten die ontstaan zijn, blijken te klein om populaties wilde dieren in stand te houden. Helaas zijn er voorbeelden te over van diersoorten die door het versnipperen van hun leefgebied bedreigd zijn. Denk bijvoorbeeld aan de orang oetan en de Sumatraanse neushoorn.” Het zou het mooist zijn als de stukken bos weer met elkaar in verbinding worden gebracht en er dus gestreefd wordt naar connectiviteit.

Connectiviteit
Simpel gezegd is connectiviteit een verbinding tussen A en B, bijvoorbeeld een verbinding tussen het ene restant oerwoud en het andere. “Die fysieke verbinding, de bomen in dit geval, duiden wij aan als structurele connectiviteit,” legt Verwer uit. “Maar connectiviteit gaat ook over hoe soorten reageren op hun fysieke omgeving. Met andere woorden: werkt de fysieke verbinding ook echt? Er kunnen dan wel bomen staan, maar maken apen er ook gebruik van? Dit noemen wij functionele connectiviteit.” Het belang van connectiviteit heeft Verwer met eigen ogen aanschouwd in de vallei van de San Juan rivier in Colombia, ongeveer 350 kilometer ten noorden van de hoofdstad Bogotà. Enige tientallen jaren geleden besloeg een uitgestrekt stuk regenwoud dit gebied. Helaas is dit stuk razendsnel veranderd in een landschap met grazende koeien. Voor de toerist is dit nog een lieflijk, glooiend landschap waarin nog vele stukjes bos overeind staan. Maar voor de oorspronkelijke bosbewoners, zoals de zeer bedreigde bruine slingeraap, is deze fragmentatie een ramp.

De bruine slingeraap. Afbeelding: The Photographer (via Wikimedia Commons).

Verwer: “Om een voorbeeld te geven: in dit gebied bevindt zich een langgerekt stuk bos van ongeveer 100 voetbalvelden groot. Hier leefde tot voor kort een groep van acht bruine slingerapen. Ooit was dit één groot bos, waar de apen in één groep leefden. Helaas blies een storm, enkele jaren geleden, een groot aantal bomen omver, waardoor de groep in tweeën werd gesplitst, één groep van vijf en een groep van drie apen. Slingerapen bewegen zich door de boomkronen, en niet over de grond. Zij waren dus van elkaar gescheiden. Zij konden elkaar niet meer bereiken en dat heb je toch écht nodig voor een goede genetische diversiteit. De groep van drie aapjes bestond uit twee vrouwtjes, een moeder met haar dochter en één mannetje. Een ramp voor de genetische variatie. Inteelt zorgt immers voor zwakker nageslacht, zodat de soort uiteindelijk zelfs kan uitsterven. De recente ontdekking van twee albino-aapjes wijst inderdaad al op inteelt. Het is dus belangrijk dat de dochteraap wordt gevangen en overgeplaatst naar een andere groep, aan de overkant van de rivier. In dit stuk bos leeft een groep van 23 slingerapen. Er is echter één maar: het vrouwtje moet dan wel worden geaccepteerd door de groepsleden.” Ooit was dit gebied één groot oerwoud. Helaas is bijna het hele gebied ontbost voor landbouw, veeteelt en soja. “Als wij geen corridor aanleggen tussen de diverse populaties, is het over en uit met de slingerapen in dit gebied. Daarom beheren wij een landacquisitiefonds, waarmee wij lokale natuurorganisaties betalen om extra belangrijke gebieden aan te kopen en met elkaar te verbinden.” Via corridors worden deze aangekochte gebieden weer met elkaar verbonden, zodat niet alleen slingerapen, maar ook bruine brulapen, uilaapjes, kapucijnapen en rivierotters hun weg weer kunnen vinden in het gebied.

Het gouden leeuwaapje. Afbeelding: Jeroen Kransen (via Wikimedia Commons).

Successen
Verwer: “Eén van de successen van het fonds is de comeback van het gouden leeuwaapje. Zo’n 25 jaar geleden leefden er nog 150 gouden leeuwaapjes in het ernstig versnipperde Atlantisch regenwoud, aan de oostkust van Brazilië. Door oprukkende steden en landbouw was ook hier veel verdwenen van het oorspronkelijke bos. Zo’n 80% van de overgebleven stukken bos was kleiner dan 50 hectare, veel te klein om een gezonde populatie leeuwaapjes te herbergen. De aapjes leefden verdeeld over vier geïsoleerde stukken woud. Onze lokale partnerorganisatie is er na jaren in geslaagd om deze stukken bos weer met elkaar te verbinden. Het aaneengesloten beschermde gebied beslaat inmiddels 13.000 hectare. Dankzij dit soort aankopen leven inmiddels weer 32200 leeuwaapjes in de vrije natuur.” In 2003 veranderde de status van deze apensoort dan ook van ‘ernstig bedreigd’ in ‘bedreigd’.

Zee
Connectiviteit is niet alleen cruciaal voor dieren op het vasteland, maar ook in zee. Een groot deel van het zeeleven bevindt zich in ondiepe delen, het continentaal plat. Dit zijn meestal ook de gebieden die onder zware druk staan door overbevissing en allerlei andere ontwikkelingen, zoals het boren naar olie en het aanleggen van pijpleidingen. De visserijsector is grotendeels niet-duurzaam. Hierbij kun je denken aan bijvoorbeeld de mechanische kokkelvisserij in de Waddenzee. Verwer: “Een belangrijke vissoort is de paling. Vanuit de Sargassozee, trekt hij 6000 kilometer om uiteindelijk in Nederland terecht te komen. Belangrijk in het voortbestaan van soorten als palingen, en andere vissoorten die zulke lange afstanden afleggen, is dat zij op hun weg geen barrières tegenkomen, zoals dammen en sluizen.”

Een ecoduct verbindt twee natuurgebieden die door de A1 van elkaar gescheiden worden. Afbeelding: Apdency (via Wikimedia Commons).

Het denken over connectiviteit heeft in Europa gelukkig al enige tijd geleden geleid tot het opstellen van een natuurnetwerk: Natura2000. In Nederland vertaalt zich dit in de Ecologische Hoofdstructuur: het aanleggen van verbindingen tussen belangrijke natuurgebieden. Zo zijn tussen 2005 en 2015 reeds 66 ecoducten aangelegd, zodat dieren drukke wegen veilig kunnen oversteken. Verwer: “Via deze groene verbindingen volgen ‘verdwenen’ diersoorten weer hun eeuwenoude paden door de Europese bossen en berggebieden. De wolf is weer op zijn retour, maar ook wilde katten, lynxen, zwijnen, bevers, otters, kraanvogels, de zalm en de steur worden nu weer gezien op plekken waar zij ooit voorkwamen.”

Walter Eijndhoven studeert natuurwetenschappen. Hij hoopt zijn passie over onderwerpen binnen de biologie, natuurkunde, scheikunde, aardkunde, sterrenkunde en geologie over te brengen op de lezers van Scientias.nl.