In een paar maanden tijd zijn er al zeker zeven mensen besmet geraakt.

Oorspronkelijk kwam het westnijlvirus alleen in Afrika voor. Maar in de afgelopen decennia heeft het zich vrij snel over de wereld verspreid en is het ook opgerukt richting Centraal-Europa. Het leek dan ook een kwestie van tijd voor het virus Nederland zou bereiken. En nu is het zover. Nadat in oktober voor het eerst een besmetting in ons land werd vastgesteld, volgden er deze maand nog zes besmettingen. En daarmee lijkt het virus nu ook voet aan de grond te hebben gekregen in Nederland.

Over het westnijlvirus
Het virus komt voor onder vogels, maar wordt verspreid door huissteekmuggen: de meest algemene muggensoort in Nederland. De muggen pikken het virus op wanneer ze besmette vogels steken. Eenmaal geïnfecteerd kan zo’n mug het virus verspreiden naar andere vogels, maar ook naar mensen en andere zoogdieren, zoals paarden (die erg ziek kunnen worden van het virus). Eenmaal besmette dieren of mensen kunnen het virus niet op anderen overdragen. De meeste mensen (zo’n 80 procent) merken niets van een infectie, maar 10 tot 20 procent krijgt milde klachten zoals koorts of griepachtige symptomen. Daarnaast is er een heel kleine kans – ongeveer 1 procent – dat besmette mensen een ernstige neurologische ziekte ontwikkelen, zoals hersenontsteking. Het virus vormt zo met name een risico voor mensen op leeftijd en mensen met een verminderde weerstand. In de VS (waar het virus in 1999 voor het eerst werd aangetroffen, waarna het zich razendsnel over het continent verspreidde) eist het virus jaarlijks tussen de 100 en 200 mensenlevens.

Het westnijlvirus werd in oktober voor het eerst vastgesteld bij een Nederlandse man. Aangenomen werd dat hij het virus opliep doordat hij in Utrecht door een mug gestoken was. Recent onderzoek van wetenschappers van de universiteit van Wageningen onderschrijft dat. De wetenschappers troffen in dezelfde omgeving als waar de man gebeten zou zijn, muggen aan die het westnijlvirus bij zich droegen. En in de zomer werd in datzelfde gebied ook al een grasmus gevangen die het westnijlvirus bij zich had. Er kan inmiddels dan ook wel met zekerheid worden vastgesteld dat het virus in Nederland te vinden is en reeds door muggen op zowel mensen als dieren wordt overgedragen.


In de lijn der verwachtingen
Erg verrassend is dat niet, zo vertelt entomoloog Sander Koenraadt, verbonden aan de Wageningen University (WUR). “Het lag in de lijn der verwachtingen als we naar de landen om ons heen kijken. Ook daar werden er steeds vaker en steeds noordelijker meldingen gedaan van positieve vogels, muggen, paarden of mensen.” Hoewel inmiddels wel bewezen is dat het westnijlvirus ook in Nederland voorkomt, blijft nog wel onduidelijk in hoeverre het zich – ongemerkt – in ons land heeft verspreid. “Hoe groot nu bijvoorbeeld het daadwerkelijke aantal geïnfecteerde steekmuggen onder de gehele populatie is, is nog lastig te zeggen,” stelt Koenraadt. “Vaak gaat het om slechts tienden van procenten.”

Klimaatverandering
Dat het westnijlvirus zich steeds verder over de wereld verspreidt en nu ook in noordelijker gelegen gebieden – zoals Nederland – voorkomt, is waarschijnlijk ook te herleiden naar klimaatverandering, zo stelt Koenraadt, die in zijn laboratorium al bijna tien jaar onderzoek doet naar het westnijlvirus en andere virussen die door muggen worden overgedragen, zoals het zika- en chikungunya-virus. “Klimaatverandering heeft zeker een invloed op de overdracht van virussen door steekmuggen. Omdat muggen koudbloedige diertjes zijn, is hun ontwikkeling sterk afhankelijk van temperatuur. Hoe warmer het over het algemeen is, hoe sneller dat gaat. En als dat sneller gaat, kun je dus in kortere tijd ook grotere populaties steekmuggen krijgen, en dat levert een groter risico op ziekte-overdracht op. Daarnaast is de ontwikkeling van het virus in de mug ook sterk afhankelijk van temperatuur: hoe warmer het is, hoe sneller het virus zich vanuit de maag van de mug kan vermenigvuldigen en uiteindelijk een weg weet te vinden naar de speekselklieren.”

Herkomst
Het virus is dus in Nederland. Maar onduidelijk blijft hoe het hier precies terecht is gekomen. “Dat blijft speculatief. Maar op basis van de genetische code van het virus kunnen we natuurlijk wel iets zeggen over de herkomst. Als je een soort stamboom maakt van eerder gesequencte virussen en het virus dat in Nederland is aangetroffen, kan je dit herleiden.” Onderzoekers van het Erasmus Medisch Centrum hebben zo’n stamboom gemaakt en moeten concluderen dat het virus dat in Nederland is aangetroffen sterk lijkt op het virus dat we kennen uit Duitsland (waar het in 2018 voor het eerst opdook) en Oostenrijk. “De precieze route is onduidelijk, maar waarschijnlijk zijn het natuurlijk (trek)vogels die het over langere afstand verspreiden. Het vliegbereik van een mug is vele malen kleiner (enkele honderden meters tot maximaal enkele kilometers), alhoewel er ook een kans is dat een geïnfecteerde mug bijvoorbeeld meelift in een (vracht)auto vanuit Zuid-Europa. Die kans is echter vele malen kleiner.”

Op zoek naar een virus
Wetenschappers haasten zich om meer grip te krijgen op de verspreiding van het virus. Het feit dat de meeste mensen – gelukkig – weinig van infectie merken, maakt het er natuurlijk niet gemakkelijker op. “Een groot deel van de transmissie blijft onder de radar,” bevestigt Koenraadt. En daarom moeten wetenschappers er actief naar op zoek gaan. Daartoe worden vogels en muggen in Nederland regelmatig onderzocht om na te gaan of ze het virus bij zich dragen. Het was tijdens zo’n onderzoek dat men in augustus in de regio Utrecht op een grasmus stuitte die in het voorjaar nog negatief testte op het virus, maar het virus nu bij zich droeg. En een deel van de muggen die in juli en augustus in dit gebied gevangen waren, bleek ook het virus bij zich te dragen. Toen in oktober bleek dat er in hetzelfde gebied ook een man met het virus besmet was geraakt, was de cirkel rond. Waar we nu misschien enkel nog topjes van de ijsberg zien, verwacht Koenraadt dat we in de toekomst veel meer van het virus gaan horen en merken.


Een goede reden voor wetenschappers om het virus (en de dragers ervan) nauwlettend te volgen en te bestuderen hoe het zich hier in Nederland gedraagt. Zo wordt er momenteel bijvoorbeeld ook onderzocht welke rol overwinterende steekmuggen spelen. “We willen te weten komen of en hoe het westnijlvirus in steekmuggen overwintert, en hoe dat dan in een volgend seizoen weer de kop op kan steken. We zijn daarvoor nu met bemonsteringen bezig van overwinteringslocaties van steekmuggen. We willen weten welke soorten dat zijn, hoe goed ze de winter kunnen overleven (de winters worden natuurlijk ook steeds zachter), en of ze mogelijk het virus bij zich dragen. Hopelijk krijgen we daar binnenkort meer duidelijkheid over. Het zijn spannende tijden voor een entomoloog..”