Wist u dat er mieren zijn die aan veeteelt doen? Ze houden wortelbladluizen in hun nesten om te kunnen leven van de honingdauw die de luizen afscheiden en de luizen zelf ook op te eten. Maar wat maakt de mier nu tot een succesvolle boer? Een Nederlandse onderzoeker zocht het uit.

Het lijkt erop dat de wortelbladluizen de grote verliezer in dit verhaal zijn. De gele weidemieren buiten ze uit, eten ze op. Maar schijn bedriegt, benadrukt onderzoeker Aniek Ivens. Het is juist een prachtige samenwerking. “De gele weidemier leeft van de honingdauw die de wortelbladluis produceert en eet bovendien de luizen op, als eiwitbron. In ruil voor die voedingsstoffen bouwen de mieren kamers voor de luizen en beschermen ze tegen rovers. De wortelbladluis is in de loop van de tijd zo geëvolueerd dat hij niet meer buiten een mierennest kan overleven.”

Evolutie
Ivens vroeg zich af hoe zo’n mooie samenleving tot stand kan komen en ook niet onbelangrijk: hoe deze in stand kan blijven. Men zou met de evolutietheorie in het achterhoofd immers verwachten dat de sterkste soort vroeg of laat misbruik gaat maken van de ander. Die soort wordt dan een parasiet. Toch gebeurt dat – net als bij vele andere soorten die er zo’n mooie samenwerking op nahouden – niet bij de mieren en luizen. “Met mijn promotieonderzoek heb ik geprobeerd het mechanisme van die evolutie beter te begrijpen.”

WIST U DAT…

Genen
Ivens trok naar Schiermonnikoog en verzamelde er drie soorten wortelbladluizen uit mierennesten. Ze keek naar de genetische samenstelling van de mieren en ontdekte dat de wortelbladluizen zich voortplanten door zichzelf te klonen en het nest verder niet te verlaten. “Hieruit blijkt dat mieren vooral aan monocultuur doen: ze houden vee dat tot één kloon behoort en dat zich snel vermenigvuldigt. Maar meestal hebben ze in een aparte kamer wel een andere kloon of soort achter de hand.” Ook bij andere soorten die er zo’n samenwerking op nahouden, is die lage diversiteit, beperkte verspreiding en klonale voortplanting teruggevonden. Blijkbaar zijn het factoren die een succesvolle samenwerking mogelijk maken.

Computermodel
Om meer te weten te komen over de ontwikkeling van de samenwerking nam Ivens haar toevlucht tot een computermodel. “Van te voren hadden we het idee dat samenwerking binnen een soort alleen evolueert als iedereen blijft zitten waar hij zit en goed met elkaar blijft samenwerken.” Maar dat bleek toch niet het geval te zijn. “We zagen juist dat organismen uit een populatie weggaan als de samenwerking goed gaat. Ze zoeken dan een populatie op die slechter samenwerkt en profiteren daar van het voordeel dat zij in hun eerdere ‘goede’ populatie hadden genoten.”

Een andere belangrijke factor voor een succesvolle samenwerking is dat de verhouding tussen de kosten en baten van de samenwerking laag is. Voor de bladluis geldt dat zeker. Hij produceert honingdauw als een bijproduct: hij heeft het zelf niet direct nodig. Het is dus niet erg dat de mieren het opeten. Ondertussen krijgt de luis er wel kost en inwoning voor terug.