Een illusie waarbij een statisch object toch lijkt te bewegen, is niet langer een mysterie. Wetenschappers weten nu hoe het werkt.

De illusie is al eeuwenoud: zelfs Aristoteles kende ‘m al. Wanneer we een tijdje naar een bewegend beeld hebben gekeken, lijkt een statisch plaatje dat we daarna te zien krijgen opeens ook te bewegen. Kijk maar:

Hoe kan dat? Onderzoeker David Glasser beet zich in die vraag vast. Hij ontdekte dat de illusie zelfs optreedt wanneer het bewegende beeld zo kort getoond wordt dat we niet bewust hebben kunnen vaststellen welke kant deze op beweegt. En toch zien we dat het statische plaatje dat daarna volgt in de tegengestelde richting lijkt te bewegen.

De onderzoekers ontdekten dat zich in het brein zenuwcellen bevinden die na het ‘zien’ van beweging statische objecten ook zien als bewegend. Deze zenuwcellen zouden de illusie veroorzaken. Daarmee tonen de onderzoekers aan dat de illusie niet een zeer overtuigend visueel trucje is. Nee, het is het gevolg van allerlei processen in het brein die elke keer dat we iets zien bewegen, optreden. De grote vraag is natuurlijk: wat hebben wij mensen aan zenuwcellen die ons zo voor de gek houden? Het zou kunnen dat de zenuwcellen ons helpen om de snelheid van en de afstand tot bewegende voorwerpen vast te stellen. En dat is handig. Bijvoorbeeld wanneer een bal of bus op u afkomt. Nader onderzoek moet aantonen of deze zenuwcellen inderdaad helpen bij zulke situaties.

Het volledige onderzoek is terug te vinden in het blad Proceedings of the National Academy of Sciences.