En verrassend genoeg komt het vee ook zo’n beetje rond dezelfde temperaturen in het nauw.

Eind juni kreeg Noord-Amerika te maken met een hittegolf waarin menig temperatuurrecord sneuvelde. En de extreme hitte resulteerde in een flinke oversterfte; alleen in Canada werden al honderden extra doden gemeld. Het maakt wel duidelijk dat mensen niet tegen extreme hitte – in dit geval: temperaturen die tegen de 50 graden Celsius liepen – zijn opgewassen. Maar wat we ons minder vaak realiseren, is dat extreme hitte ook een enorme impact heeft op dieren en planten.

De grens
Maar waar ligt nu de grens? Vanaf welke temperaturen gaan wij – en ook andere soorten – echt onder hitte lijden? Onderzoekers van de Technische Universiteit in München hebben het nu uitgezocht. “We hebben gekeken welke temperaturen de voorkeur hebben en welke schadelijk zijn voor mensen, koeien, varkens, pluimvee en landbouwgewassen,” vertelt onderzoeker Senthold Asseng.

Het onderzoek
Asseng en collega’s spitten voor hun studie talloze onderzoeken door. “We namen de literatuur door om te zien welke experimenten anderen hebben gedaan en wat er over dit onderwerp bekend is.” De resultaten zijn vervolgens gebundeld in een zogenoemde review en gepubliceerd in het blad The Lancet Planetary Health.

Mensen
Het onderzoek wijst uit dat mensen bij een hoge luchtvochtigheid zo rond 23 graden al milde hittebelasting kunnen ervaren. Hetzelfde gebeurt bij een lage luchtvochtigheid zo rond de 27 graden Celsius. “Bij een lage luchtvochtigheid ligt de transpiratiesnelheid hoger en kan een lichaam beter dan bij een hoge luchtvochtigheid, afkoelen door te zweten,” legt Asseng aan Scientias.nl uit. “Droge lucht kan namelijk meer vocht opnemen dan vochtige lucht.”

Ronduit gevaarlijk wordt het als de temperaturen de 30 graden Celsius overstijgen. “Als mensen bij een extreem hoge luchtvochtigheid langere tijd bloot worden gesteld aan temperaturen boven de 32 graden Celsius of bij een extreem lage luchtvochtigheid aan temperaturen boven de 45 graden Celsius kan dat fataal zijn.”

Vee
Runderen en varkens beginnen bij een hoge luchtvochtigheid zo rond de 24 graden Celsius last te krijgen van de hitte (zie kader). Bij een lage luchtvochtigheid ontstaat er hittebelasting bij 29 graden Celsius. Zodra de koeien en varkens met hittestress te maken krijgen, heeft dat direct zijn weerslag op het functioneren van hun lichaam. “Als de temperatuur te hoog is en koeien en varkens hun lichaamstemperatuur niet meer kunnen controleren, dan presteren ze minder. Het resulteert bij de koeien in minder melk en bij de varkens in minder vet.”

Dat de impact van warmte ondanks dat varkens en runderen niet effectief kunnen zweten, toch ook afhankelijk is van de luchtvochtigheid, komt doordat zij hun lichaam koelen door te hijgen. En ook dat gaat beter als de lucht weinig vocht herbergt en dus nog veel vocht kan opnemen. Overigens is luchtvochtigheid ook van belang voor gewassen. Zij transpireren namelijk via hun bladeren en kunnen eveneens meer warmte kwijt bij een lage luchtvochtigheid.

Kippen
Pluimvee gedijt het best bij temperaturen tussen de 15 en 20 graden Celsius, zo wijst het onderzoek uit. En kippen beginnen milde hittebelasting te ervaren bij 30 graden Celsius. Bij temperaturen vanaf 37 graden Celsius is er zelfs sprake van ernstige hittestress. Op dat moment neemt ook het aantal eieren dat de kippen leggen, af.

Verschillende manieren
De resultaten laten volgens Asseng zien dat extreme temperaturen – die in een warmere wereld naar verwachting steeds vaker acte de présence zullen geven – niet alleen van invloed zijn op mensen, maar ook op dieren waarvan we – voor onze voedselvoorziening – sterk afhankelijk zijn. “Klimaatverandering raakt ons dus op verschillende manieren.”

Dezelfde grenzen
Wat daarbij wel opvalt, is dat de temperaturen waarbij wij in het nauw raken, grofweg ook de temperaturen zijn waarbij ons vee het lastiger krijgt. “Het was verrassend om te zien dat mensen, vee en gewassen als het om hittestress gaat, ongeveer dezelfde grenzen hebben en dat die grenzen rekening houdend met de luchtvochtigheid ook ongeveer in dezelfde mate verschuiven,” vindt Asseng.

De onderzoekers keken ook naar de optimale temperaturen voor gewassen, maar die blijken – door verschillen tussen soorten en variëteiten – sterk uiteen te lopen. Sommige gewassen – zoals tarwe bijvoorbeeld – doen het beter bij lage temperaturen, terwijl andere – zoals maïs – weer slecht bestand zijn tegen vorst en beter bestand tegen warmte.

Dat het klimaat verandert, staat vast. En we dreigen dan ook steeds vaker met extreme temperaturen te maken gaan krijgen. “Er zijn al gebieden op aarde waar hittestress het leven voor mensen, vee en gewassen lastig maakt en door klimaatverandering zullen die gebieden en het aantal mensen, dieren en gewassen dat er hinder van ondervindt alleen maar toenemen,” stelt Asseng. Het roept natuurlijk de vraag op hoe we ons – en ons vee en onze gewassen – daartegen kunnen wapenen. “Het klimaat verandert zo snel dat genetische adaptatie niet mogelijk is,” stelt Asseng. En dus moeten we andere dingen aanpassen; de inrichting van steden en weiden bijvoorbeeld. Met meer bomen kunnen we die wellicht toch redelijk koel en leefbaar houden. Ook airconditioning en ventilators kunnen voor de broodnodige verkoeling zorgen, maar die oplossing heeft een keerzijde, zo waarschuwt Asseng. De apparaten slurpen veel energie en leveren naast verkoeling ook een bijdrage aan het achterliggende probleem: de opwarming van de aarde.

Uiteindelijk zijn het dan ook allemaal lapmiddelen en is er natuurlijk maar één manier waarop we het doemscenario van een aarde die in de zomermaanden grotendeels lastig leefbaar is, kunnen voorkomen. “Ik denk dat we de oorzaken van klimaatverandering aan moeten pakken, aangezien we niet in staat zijn om met de gevolgen van klimaatverandering om te gaan.”