Cameravallen hebben tersluiks meer dan twintig verschillende diersoorten op beeld vastgelegd.

Bijna tien jaar geleden ging het in de kerncentrale in het Japanse Fukushima helemaal mis. Een aardbeving en tsunami zorgden voor grote problemen die de kerncentrale beschadigde. Het resulteerde in een kernramp waarbij veel radioactieve straling vrijkwam. Mensen moesten het gebied onverhoopt verlaten en lieten huis en haard achter. En dat gaf wilde dieren de ruimte om zich massaal in het verwaarloosde gebied te vestigen.

Cameravallen
Onderzoekers plaatsten in het nucleaire rampgebied 106 cameravallen die meer dan 267.000 foto’s schoten. Nadat onderzoekers alle foto’s hadden doorgespit, kwamen ze tot een verrassende ontdekking. De beelden hadden namelijk meer dan twintig verschillende diersoorten vastgelegd, waaronder wild zwijn, Japanse haas, makaken, fazanten, vossen en de wasbeerhond – een familielid van de vos. “Fukushima heeft een prachtig landschap dat grotendeels bebost is en zowel bergen als kustgebieden omvat,” vertelt onderzoeker James Beasley aan Scientias.nl. “Gezien het landschap en de verscheidenheid daaraan, is Fukushima de thuisbasis van veel verschillende diersoorten geworden.” Wat dat betreft verbaast het de onderzoeker niet dat deze dieren de verlaten gebieden opzochten. “Wat echter wel opvallend is, is dat we ook een paar foto’s hebben gemaakt van sikaherten en Aziatische zwarte beren,” gaat Beasley verder. “Hoewel ze wel rond Fukushima voorkomen, worden ze vaker aangetroffen in meer binnenlandse gebieden.”


“Gezien het landschap en de verscheidenheid daaraan, is Fukushima de thuisbasis van veel verschillende diersoorten geworden”

Heroverd
Het lijkt er dus op dat dieren de door mensen verlaten gebieden opnieuw bevolken, ondanks de voortdurende aanwezigheid van schadelijke radioactieve straling. “Het lijkt misschien contra-intuïtief,” zegt Beasley, “maar onderzoek heeft aangetoond dat veel soorten grote zoogdieren in de eerste jaren na de ramp in Tsjernobyl in aantallen zijn toegenomen. Gezien het feit dat de hoeveelheid straling die uit de kerncentrale van Fukushima vrijkwam vele malen lager lag dan in Tsjernobyl, is het niet heel verwonderlijk dat we nu bewijs hebben voor een vergelijkbare toename aan zoogdieren in Fukushima.”

Het is niet voor het eerst dat deze onderzoeksgroep dierpopulaties in nucleair getroffen gebieden bestudeert. Een paar jaar geleden reisden ze af naar de Exclusion Zone in Tsjernobyl om te ontdekken wat daar eigenlijk allemaal leeft. Het gebied blijkt na analyse alles behalve verlaten te zijn. Zo zagen de onderzoekers het vaakst de grijze wolf, het Euraziatische zwijn, de rode vos en de wasbeerhond voorbij komen. Deze soorten werden allemaal gesignaleerd op plekken in de buurt van, of binnen de meest besmette gebieden.

In de studie werden drie verschillende zones onderzocht: volledig verlaten gebieden vanwege te hoge radioactieve straling, beperkt bewoonde gebieden door een gemiddeld besmettingsniveau en bewoonde gebieden vanwege lage stralingsniveaus. Vervolgens hielden de onderzoekers scherp in de gaten welke en hoeveel dieren er in elk gebied voorkwamen. De resultaten zijn treffend. Gedurende 120 dagen schoten de camera’s meer dan 46.000 plaatjes van wilde zwijnen. Meer dan 26.000 van die foto’s waren genomen in verlaten gebieden, 13.000 in beperkt bewoonde gebieden en 7.000 in bewoonde regio’s. Andere soorten die eveneens in groten getale voorkwamen in geëvacueerde gebieden waren wasberen, de Japanse marter en makaken.

Japanse bosgemzen
De bevindingen uit de studie laten goed zien dat dierpopulaties toenemen als mensen uit bepaalde gebieden verdwijnen. Al vormt de Japanse bosgems een opvallende uitzondering. Normaal gesproken leeft dit dier ver weg van menselijke nederzettingen. Maar uit foto’s gemaakt door de cameravallen blijkt dat Japanse bosgemzen veelvuldig in door de mens bewoonde gebieden voorkomen. Volgens de onderzoekers kan dit ermee te maken hebben dat de gems de snelgroeiende populatie zwijnen in de geëvacueerde gebieden probeert te vermijden.


Een Japanse bosgems vastgelegd door een cameraval. Afbeelding: James Beasley

De Japanse bosgemzen zijn trouwens niet de enige die hun gedrag lijken aan te passen. Wilde zwijnen die namelijk in verlaten gebieden leven blijken namelijk overdag veel actiever te zijn dan de zwijnen die in door mensen bewoonde gebieden voorkomen. Laatstgenoemden laten zich namelijk overdag niet zien en leven vooral ‘s nachts. Het betekent dat ze hun gedrag aanpassen in afwezigheid van mensen. Maar waarom? “Binnen bevolkte gebieden kunnen zwijnen in conflict komen met mensen doordat ze met hun snuit schade toebrengen aan bijvoorbeeld gewassen,” legt Beasley desgevraagd uit. “Hierdoor wordt er vaak op wilde zwijnen gejaagd. Het zwijn is echter een flexibele soort die zich gemakkelijk aan veranderende omstandigheden kan aanpassen. Dat blijkt ook uit onze bevindingen. De zwijnen die in verlaten gebieden leven zijn veel actiever gedurende de dag dan de zwijnen in bewoonde gebieden. Dit suggereert dat de dieren hun gedrag aanpassen als ze niet met mensen te maken willen hebben.”

Radioactieve straling
In de studie lieten de onderzoekers de gezondheid van de dieren achterwege. “In plaats van de effecten van de radioactieve straling op de gezondheid van elk dier te onderzoeken, hebben we nu gekeken naar de hoeveelheid dieren die in de aan straling blootgestelde gebieden voorkomen,” legt Beasley uit. Toch kan de onderzoeker er wel iets over zeggen. “Het is duidelijk dat als de straling invloed zou hebben op de gezondheid van de dieren, dit in elk geval geen wijdverspreide impact heeft op de populaties,” zegt hij. “Wel weten we dat radioactieve straling moleculaire mutaties kan veroorzaken, schade kan toebrengen aan cellen en het voortplantingssucces beïnvloedt. Daarom zijn we onlangs begonnen met een aantal onderzoeken om dit soort effecten op wilde dieren in zowel Tsjernobyl als Fukushima te bestuderen.”


Bekijk in deze video de dieren die stiekem zijn vastgelegd door de cameravallen.

Factoren
De dieren zelf lijken zich echter niets van de radioactiviteit aan te trekken. “Onze resultaten vormen het eerste bewijs dat talloze diersoorten in de hele Fukushima-regio in groten getale aanwezig zijn, ondanks de radioactieve straling,” concludeert Beasley. Ook verschillende hoeveelheden straling deden de dieren weinig. “De aanwezigheid van mensen, hoogte en het landschap zijn de belangrijkste factoren, niet de stralingsniveaus.”

Volgens Beasley is het onderzoek naar de aanwezigheid van dieren rond Fukushima belangrijk. “Er is grote belangstelling, zowel vanuit de wetenschappelijke hoek, als van het grote publiek naar de status en de gezondheid van wilde dieren die nu voorkomen rond nucleaire rampgebieden,” legt de onderzoeker uit. “De gegevens hierover zijn echter beperkt, waardoor er veel over de status van diersoorten wordt gespeculeerd. De gebieden zijn daarom perfecte ‘laboratoria’ geworden waarin we de effecten van langdurige blootstelling aan straling op planten en dieren beter kunnen gaan begrijpen.”