Het totale aantal dieren op de noordpool neemt toe, maar de soorten die het noordelijkst wonen, hebben het moeilijk. Hun aantallen zijn tussen 1970 en 2004 met een kwart afgenomen. Dat blijkt uit onderzoek. “We zien winnaars en verliezers,” zo concludeert onderzoeker Mike Gill.

Dat een deel van de dieren het op de noordpool zo goed doet, heeft alles te maken met de beperkingen die jagers opgelegd hebben gekregen. De hoeveelheid vogels, zoogdieren en vissen is sinds 1970 met zestien procent toegenomen. De grootste vooruitgang werd in de lagere regionen van de noordpool geboekt. Daar namen sommige diersoorten – met name degenen die in het water leven – met zo’n 46 procent toe.

De dieren die in het noorden wonen daarentegen hebben te maken met grote veranderingen. Het is nog te vroeg om te stellen dat hun woongebied door toedoen van klimaatveranderingen zo sterk wijzigt. Vaststaat dat de gebeurtenissen in ieder geval in de lijn van de verwachtingen omtrent klimaatverandering liggen. Bovendien nemen de dieren in de gebieden waar het ijs het snelst smelt ook het sterkst af.

Onder de dieren die het goed doen bevinden zich onder meer de Groenlandse walvis, de Europese zeearend en de papegaaiduiker. De kabeljauw, lemming, bruine beer en ijsbeer doen het een stuk slechter.