Elk jaar een nieuwe taal leren. Het klinkt als iets wat alleen voor mensen met een enorme talenknobbel is weggelegd. Maar niets is minder waar: met de juiste gereedschappen kan iedereen een ‘taalhacker’ worden.

Gabriel Wyner is wat je noemt een ambitieuze man. Hij spreekt vloeiend Italiaans, Frans, Duits en Russisch en als het aan hem ligt komen daar nog veel meer talen bij. Zo leert hij momenteel Hongaars en is hij voornemens elk jaar – voor de rest van zijn leven – een nieuwe taal te leren. Je vraagt je misschien af: heeft die man nog wel vrije tijd? Klaarblijkelijk wel, want hij heeft een gaatje gevonden om het boek ‘De taalhacker‘ te schrijven. In het boek veegt hij de traditionele methoden om een taal te leren van tafel en introduceert hij zijn eigen methode, die – dat moeten we direct toegeven – een stuk efficiënter is. De methode van Wyner is namelijk gebaseerd op de nieuwste wetenschappelijke onderzoeken die meer inzicht geven in hoe ons brein werkt.

taalhackerLeren
In vrij korte tijd leerde Wyner vier talen vloeiend spreken. Indrukwekkend. Maar hij had daar zo zijn trucjes voor, zo onthult hij in het boek. Het begint met vijf principes die ons in staat stellen om sneller te leren. We gaan ze hier natuurlijk niet allevijf weggeven, maar lichten er twee uit:
1. Zo lui mogelijk zijn
In tegenstelling tot wat ze je op school misschien geleerd hebben, heeft ‘hard leren’ oftewel ‘blokken’ weinig zin. Op korte termijn onthoud je de stof misschien beter, maar op lange termijn absoluut niet. “Extra herhalen wordt ‘overleren’ genoemd en draagt niets bij aan je langetermijngeheugen,” schrijft Wyner. “Weet jij nog één feitje van de laatste schooltest waarvoor je geblokt hebt? (…) Wie tijd steekt in het leren van een taal, wil maanden, jaren, decennia onthouden. Als dat niet te bereiken is door harder te werken, moeten we het maar voor elkaar krijgen door zo min mogelijk te doen.”
2. Je amygdala aan het werk zetten
Probeer het eens: lees een rijtje Spaanse woorden en hun vertaling en besteed vervolgens vijf minuten aan het leren van die woorden. Of kies ervoor een blanco vel papier te pakken en jezelf te toetsen. Of pak drie blanco vellen papier en toets jezelf drie keer. Wie voor de laatste aanpak kiest, zal zien dat hij na drie weken meer dan vijftig procent van de woordjes heeft onthouden, terwijl de andere methodes na drie weken respectievelijk resulteren in het onthouden van amper dertig en veertig procent van de woordjes. Hoe kan dat? Je hebt bij de derde methode je amygdala gebruikt. Dit deel van ons brein vertelt de hippocampus wat deze moet bewaren en weggooien. De amygdala doet dat op basis van emoties. Wanneer iets veel emoties oproept, geeft de amygdala meer geheugenstimulerende hormonen af. Vandaar dat we ons een ontmoeting met een tijger beter kunnen herinneren dan de saaie definitie van een woord. Een blanco vel papier heeft ongeveer hetzelfde effect als de tijger. “Zodra je prestatie beoordeeld wordt, beseffen je hersenen dat ze aan de bak moeten. Zodoende krijgt elke herinnering die je oproept een sprietsje geheugenstimulerende stoffen. Die herinneringen worden gereactiveerd, je amygdala roept om hormoon, je hippocampus brengt de betrokken netwerken in kaart en je neuronen verbinden zich stevig aan elkaar. Elke keer dat je een herinnering weet terug te halen, geven de beloningscentra in je hersenen je hippocampus een chemisch schouderklopje in de vorm van dopamine, wat de opslag in het langetermijngeheugen nog meer stimuleert. Kortom: je blanco vol papier ontketent een met dope overgoten feestje in je hersenen waar saai woordjes leren niet tegenop kan.”

“Een blanco vel papier kan een met dope overgoten feestje in je hersenen ontketenen waar saai woordjes leren niet tegenop kan”

Spelen met Google Afbeeldingen
Interessant dat ‘sneller leren’. Maar minstens zo belangrijk is dat het leren – wat toch tijd kost – leuk blijft. Daarvoor bedacht Wyner een aantal spelletjes. Eén daarvan speel je met behulp van Google Afbeeldingen. Moet je het Duitse woord voor ‘oma’ of Hindoestaanse woord voor ‘taart’ leren? Google eens hoe zo’n Duitse oma of Hindoestaanse taart eruitziet. “neem tien tot twintig seconden per woord,” adviseert Wyner. Tijdens dit spel stuit je op verschillen: verschillen tussen wat je verwacht te zien en wat Google je laat zien. Het levert een ‘hm!’-moment op, zoals Wyner dat noemt en laat dat nu net de momenten zijn die in je brein gegrift komen te staan, omdat ze interessant zijn. “De herinneringen die je met dit spel opdoet sla je op op je flashcards. Bij elk ‘hm!’-moment beleef je een diepe, multizintuiglijke ervaring met een nieuw woord. Je flashcards moeten die herinneringen opnieuw oproepen. Je kiest één of twee plaatjes die je in het bijzonder aanspraken – een oma die wel héél Duits aandoet – en die zet je op je flashcards.” Nog zo’n spelletje: een herinnering aan een woord koppelen. Moet je het Franse woord voor ‘kat’ leren? Zoek dan een herinnering die je aan dat nieuwe woord kunt relateren. Denk bijvoorbeeld aan die nare kat van je tante die altijd zo zat te gillen. Zo. Is het woord ‘chat’ in één klap een stuk gemakkelijker te onthouden.

Met de juiste methodes is een taal leren leuk!

Met de juiste methodes is een taal leren leuk!

En grammatica dan?
Maar een taal is natuurlijk meer dan een verzameling woorden. Er zijn ook regels: grammatica. Hoe krijg je die onder de knie? Door te leren zoals een kind dat doet. “Kinderen zijn belachelijk goed in grammatica leren,” schrijft hij. “Zo goed, dat ze op hun zesde zinnen kunnen creëren die ze nooit eerder hebben gehoord.” Hoe doen ze dat? Ze nemen de taalinput uit hun omgeving (dus eigenlijk alles wat ze horen) in zich op en trekken op basis daarvan conclusies, of beter gezegd: ze destilleren uit die input een grammaticaregel. En dat kunnen wij volwassenen ook doen. “Als je het soort mens bent dat graag rijtjes werkwoordvervoegingen oefent (ik zit, jij zit, hij/zij/het/u/er zit, wij zitten, jullie zitten, zij zitten), doe dat dan gerust. Het zijn begrijpelijke zinnetjes en dus prima input voor je taalmachine.” Ben je geen fan van die rijtjes? Gebruik je grammaticaboek dan als een soort snelle rondleiding door de doeltaal. “Je leest de uitleg en leert een paar voorbeelden; de (vaak saaie) rijtjes en oefeningen sla je over.” Stel je wilt Italiaans leren. Dan lees je in je grammaticaboek dat je van een enkelvoud meervoud kan maken door de laatste klinker te veranderen. Waarschijnlijk legt je boek de regel uit en staan daar enkele voorbeelden bij (pizza is pizza, pizza’s is pizze). Ook volgen er waarschijnlijk oefeningen. “Die oefeningen kun je overslaan. Pik er hooguit een paar voorbeelden uit die je interessant vindt, maak er flashcards voor en poef, je hebt die grammaticaregel voor eeuwig in je hoofd zitten.”

“Kinderen zijn belachelijk goed in grammatica leren. Zo goed, dat ze op hun zesde zinnen kunnen creëren die ze nooit eerder hebben gehoord”

Een taal leren: met dank aan de middelbare school lijkt dat toch een vrij saai tijdverdrijf. Maar Wyner heeft er schik in. En hoe verder je het boek doorspit, hoe aantrekkelijker het leren van een taal wordt. Simpelweg omdat je het altijd op de verkeerde (supersaaie) manier hebt gedaan en er blijkbaar nog een andere manier is die het leren van een taal niet alleen gemakkelijk, maar zelfs leuk maakt. En Wyner blijkt daarbij niet hangen in wetenschappelijke bevindingen en wollige praatjes over hoe je brein werkt. Het boek maakt het direct concreet en bevat zelfs een ‘gereedschappenkist’ vol met tips en praktische methodes om de taal die je altijd al hebt willen spreken, zo snel mogelijk onder de knie te krijgen. Met het verschijnen van dit boek heeft Wyner iedereen (dus ook de taalknobbellozen onder ons) het recht om steenkolen-Engels of houtje-touwtje-Spaans te spreken, ontnomen.