Het verklaart waarom ook struisvogels en emoes over hetzelfde zintuig beschikken, terwijl ze het helemaal niet nodig hebben.

Kiwi’s en sommige andere vogels beschikken over een zogezegd ‘zesde zintuig’. Deze vogels zijn in staat om met gespecialiseerde orgaantjes die zich aan de binnenkant van de snavel bevinden, de bewegingen of elektrische pulsen die worden voortgebracht door in de modder levende prooidieren te detecteren. Opvallend genoeg blijkt dat ook struisvogels en emoes met een soortgelijk zintuigorgaan in hun snavels zijn uitgerust, terwijl deze vogels dat helemaal niet nodig hebben. En dus besloten onderzoekers op zoek te gaan naar de oorsprong van het bijzondere zesde zintuig.

Fourageren
Het oppikken van signaaltjes die door prooidieren worden uitgezonden, is voor sommige vogels verrekt handig. Op die manier kunnen ze namelijk begraven prooien lokaliseren, zonder dat ze deze met hun ogen hoeven gade te slaan. Vogels die over dit zesde zintuig beschikken zijn bijvoorbeeld de Nieuw-Zeelandse kiwi en de iconische Afrikaanse hadada-ibis. Ze vangen hun prooien – zoals wormen, weekdieren en kleine visjes – door deze eerst met behulp van de orgaantjes op hun snavel te detecteren. Vervolgens steken ze hun lange snavels in de modder of onder water en trekken hun maaltje zo blindelings uit de bodem.

Overbodig
Dit bijzondere zesde zintuig is vandaag de dag nog in drie vogelfamilies te vinden: ibissen, kiwi’s en strandlopers. Opvallend is echter dat een vergelijkbaar, maar functioneel mysterieus orgaan voorkomt bij struisvogels, emoes en hun familieleden. “We verbazen ons hier al over sinds deze zo’n vijf jaar geleden door Zuid-Afrikaanse onderzoekers werd ontdekt,” vertelt onderzoeker Susan Cunningham. “We weten wat de functie van zo’n snavel is voor foeragerende vogels zoals de kiwi. Maar het is helemaal niet logisch dat ook gigantische vogels over een soortgelijke snavel beschikken. De hersenen van struisvogels en emoes zijn namelijk helemaal niet in staat om met zulke tactiele informatie om te gaan.” Bovendien zoeken struisvogels en emoes niet naar prooidiertjes die zich schuil houden in modder of in water. En dus is het hebben van zo’n zintuigorgaan in de snavel voor deze vogels vrij overbodig.

Op zoek
De onderzoekers besloten in een nieuwe studie op zoek te gaan naar de oorsprong van het bijzondere zesde zintuig. Want waarom wordt een dergelijk orgaan aangetroffen in alle levende Paleognathae, zelfs in de vogels die niet in de bodem naar voedsel zoeken? “Wat erg opwindend is, is dat kenmerken van het zesde zintuig bewaard blijven in een fossiel,” legt onderzoeksleider Carla du Toit uit. “Het wordt gekenmerkt door een groot aantal benige putjes op het oppervlak van het snavelbot.” Al moet hier wel voorzichtig mee worden omgesprongen. De aanwezigheid van dit soort putjes is namelijk niet helemaal voldoende om het voorkomen van een soortgelijk orgaan in een fossiel exemplaar uit af te leiden. “Alle vogels hebben wat putjes,” zegt Du Toit. En dus analyseerden de onderzoekers grondig talloze snavels om overeenkomsten en verschillen aan te duiden en zo boven water te krijgen welke vogels net als de hedendaagse kiwi, over het zesde zintuig beschikten.

Verschillende Paleognathae vogels en hun snavelvormig. Op de afbeelding is tevens gemarkeerd welke vogels over het zesde zintuig in hun snavel beschikken. Afbeelding: Carla du Toit

Dino’s
De onderzoekers komen tot een bijzondere ontdekking. Want de oorsprong van het zesde zintuig gaat helemaal terug tot het tijdperk van de dino’s. “We ontdekten dat één van de oudste groepen vogels die in het Krijt leefden, bekend als de Lithornithiformes, waarschijnlijk al over het zesde zintuig beschikten,” zo schrijven de onderzoekers in hun studie. De Lithornithiden hadden een slanke snavel waarmee ze vermoedelijk in de bodem naar ongewervelden zochten. En daarvoor gebruikten ze waarschijnlijk dezelfde gespecialiseerde orgaantjes die zich aan de binnenkant van de snavel bevinden als de hedendaagse kiwi.

Vleesetende dino’s
De studie suggereert dat het opmerkelijke zintuig zich meer dan 66 miljoen jaar geleden in de eerste vogels ontwikkelde. Of misschien zelfs nóg eerder. Eerder onderzoek naar enkele vleesetende dinosaurussen – die de voorouders van vogels vertegenwoordigen – heeft aangetoond dat verschillende soorten tevens over een soortgelijk zesde zintuig beschikten. Omdat sommige van deze dinosaurussen erg groot waren, zochten ze waarschijnlijk niet naar wormpjes en weekdieren zoals de hedendaagse kiwi’s en ibissen, maar gebruikten ze hun zesde zintuig om in troebel water op vissen en grotere reptielen te jagen. Dit zou zomaar eens de aanleiding kunnen zijn geweest voor de ontwikkeling van de zeer gespecialiseerde snavels waar vandaag de dag ibissen en kiwi’s over beschikken.

“Dit is zo’n ongelofelijk coole studie!” Roept onderzoeker Anusuya Chinsamy-Turan uit. “We hebben kunnen aantonen dat de voorouder van loopvogels – zoals struisvogels en emoes – een soortgelijke foeragerende vogel was als de moderne ibis en kiwi. Bovendien suggereert onze bevinding dat het zintuigorgaan in de snavels van vogels hoogstwaarschijnlijk afkomstig is van de gevoelige snuiten van hun dino-voorouders.” De onderzoekers zijn van mening dat de studie een aanzienlijke bijdrage zal leveren aan ons begrip over de evolutie van gevoelige, sensorische zintuigen bij vogels en dino’s. Bovendien breidt het tevens ons begrip uit over zowel de oude voorouders van vogels, als de hedendaagse soorten, waaronder enkele van de meest bedreigde.