Uit Australisch onderzoek blijkt dat de Aboriginals al heel lang naar de hemel staarden. Ze gebruikten de sterren en planeten om te navigeren, de tijd en seizoenen te bepalen. Daarmee waren ze de mensen die Stonehenge en de Egyptische piramides bouwden naar alle waarschijnlijkheid enige duizenden jaren voor, zo concludeert onderzoeker Ray Norris.

De Aboriginals gaven hun kennis en kunde omtrent het heelal van generatie op generatie door. De geschiedenis van het oude volk is enkele tienduizenden jaren oud, dus tel uit je winst. “We weten dat er veel verhalen over de ruimte zijn: in liederen, legendes en mythen,” vertelt Norris. “Wij vroegen ons af of het nog verder ging. Nu blijkt dat de mensen de ruimte ook gebruikten om te navigeren, te bepalen hoe laat het was en in welk seizoen ze leefden. Dat is dus heel praktisch.”

Verhuizen
“De mensen waren nomaden, dus wanneer de Pleiaden verschenen dan verhuisden ze naar een plaats waar noten en bessen waren. Een ander signaal (uit de ruimte, red.) gaf weer aan dat ze naar de rivier moesten om te vissen enzovoort, enzovoort.”

Denkers
Norris is zelf astronoom en bestudeerde de cultuur van de Aboriginals uitgebreid. Hij ontdekte dat de astronomische kennis van het volk veel verder ging dan gedacht. “Sommige denkers gingen er in het verleden voor zitten om een eclips te zien en dan probeerden ze uit te vinden hoe dat werkte. Die gedachten zitten in liedjes en ceremonieën. Neem bijvoorbeeld de maansverduistering. Het verhaal gaat dat de zon dan de liefde bedrijft met de maan. Wanneer zij de liefde bedrijven, bedekken hun lichamen elkaar.”

Het is nog onduidelijk wanneer de Aboriginals exact met hun waarnemingen begonnen, maar Norris is ervan overtuigd dat ze andere astronomen – inclusief die van Stonehenge en Egypte – ruim voor waren. “We hebben vastgesteld dat ze bezig waren met astronomie, maar we weten niet hoever dat teruggaat. Als het 10.000 of 20.000 jaar teruggaat dan zijn de Aboriginals de eerste astronomen ter wereld.”