Bijna acht jaar nadat de ruimtesonde Huygens op Titan landde, weten we hoe heftig die landing precies is geweest. De sonde hobbelde, gleed en wiebelde nog zo’n tien seconden na de landing door, blijkt nu. En dat kan ons meer vertellen over het oppervlak van Titan.

In januari 2005 landde Huygens op Saturnus’ maantje Titan. Wetenschappers reconstrueerden de landing nu met behulp van gegevens die Huygens tijdens de landing zelf verzamelde.

Gat
Uit het onderzoekje blijkt dat Huygens zodra deze het oppervlak van Titan raakte een gat van zo’n twaalf centimeter diep maakte. Vervolgens hobbelde de sonde nog een eindje verder en gleed nog eens zo’n dertig tot veertig centimeter uit. Door de wrijving die de sonde met het oppervlak ondervond, minderde deze vaart. Op de plek waar de sonde tot stilstand kwam, wiebelde deze nog zo’n vijf keer heen en weer.

Stof

“We zien in de gegevens ook bewijzen voor een donsachtig, stoffig materiaal – waarschijnlijk organische aerosolen waarvan we weten dat ze uit de atmosfeer komen zetten – die opgeworpen worden en rond vier seconden na de inslag (van Huygens) rondhangen,” vertelt onderzoeker Stefan Schröder. Dit stof werd blijkbaar heel gemakkelijk opgeworpen, dus het oppervlak moet droog zijn geweest. Dat betekent dat er voor de landing al een tijdje geen vloeibaar ethaan of methaan is gevallen.

Nuttig
Het lijkt misschien mosterd na de maaltijd, deze reconstructie. Maar niets is minder waar. De reconstructie kan ons veel vertellen over het oppervlak van Titan. “Een piek in de gegevens wijst erop dat de sonde tijdens het eerste wiebelen op een kiezel stuitte die zo’n twee centimeter uit de grond stak,” vertelt onderzoeker Stefan Schröder. Waarschijnlijk duwde de sonde deze kiezel dieper de grond in. “Dat suggereert dat het oppervlak leek op zacht en vochtig zand.” Was het oppervlak meer modderachtig geweest dan zou de sonde niet gehobbeld en gegleden hebben, maar zo op het oppervlak zijn geploft.

Wat de onderzoekers uit deze reconstructie kunnen afleiden, is dat het oppervlak van Titan zacht genoeg moet zijn geweest om de sonde in staat te stellen een gat te maken. Maar het oppervlak moet ook hard genoeg zijn geweest om het wiebelen van de sonde mogelijk te maken.