Wetenschappers stellen dat de zoektocht zinloos is; er is niet één exacte plek aan te wijzen waar onze voorouders en uiteindelijk ook wij, zijn ontstaan.

In de afgelopen decennia zijn talloze fossiele resten van mensachtigen teruggevonden en stuk voor stuk suggereren ze dat de oorsprong van de mens in Afrika ligt. En dus rijst er een logische vervolgvraag: wáár in Afrika zijn we ontstaan? “Zo op het eerste gezicht is dat een redelijke vraag,” aldus onderzoeker Mark Thomas. “Maar wanneer we naast wat we weten over de fossielen, oude gereedschappen en oude klimaten ook kijken naar genetische patronen, dan past het idee dat we in een enkele regio van Afrika zouden zijn ontstaan, daar niet bij. We moeten anders gaan denken.”

Nieuwe kijk op onze evolutionaire geschiedenis
En dat is precies wat Thomas en collega’s in een nieuw paper, verschenen in het blad Nature Ecology and Evolution, hebben gedaan. In hun paper pleiten de onderzoekers ervoor om de evolutionaire geschiedenis van de mens niet langer weer te geven als een overzichtelijke stamboom, waarbij verschillende, netjes van elkaar gescheiden takken elkaar opvolgen en uiteindelijk leiden tot het ontstaan van de moderne mens. In plaats daarvan moet onze evolutionaire geschiedenis volgens de onderzoekers gezien worden als ‘het resultaat van dynamische veranderingen in de connecties tussen vroege mensachtigen die verspreid over Afrika leefden’. “Mensen zoals wij begonnen ergens tussen 500.000 en 300.000 jaar geleden te verschijnen,” vertelt onderzoeker Eleanor Scerri. “Dat is een heel lange periode – in de orde van 8000 generaties – waarin vroege mensen zich konden bewegen en een groot gebied konden verkennen. Die bewegingen, vermengingen (met andere mensachtigen, red.) en uitwisselingen van genen leidden er uiteindelijk toe dat wij ontstonden.”


Van een isolement naar ontmoeting
Het is de nieuwe theorie in een notendop. Reden genoeg om Scerri te vragen daar eens wat verder over uit te weiden. “Voorouders van de mens hadden zich reeds over Afrika verspreid en bewogen zich over het continent naar gebieden die hun voorkeur hadden en die ze leefbaar achtten,” legt Scerri uit aan Scientias.nl. “Veranderingen in de stabiliteit van verschillende ecologische gebieden en hun leefbaarheid betekent dat populaties soms heel ver van elkaar verwijderd waren en op andere momenten elkaar tegenkwamen en genen uitwisselden. Afrika is groot en divers, maar deze vroege mensachtige populaties waren klein en schaars. Je kunt je dan ook gemakkelijk voorstellen dat ze soms – door de grote afstanden alleen al – langdurig van elkaar gescheiden waren. Het is ook gemakkelijk voor te stellen dat ze elkaar weer tegenkwamen. Zelfs jagers en verzamelaars kunnen in gebieden waarin voedsel en grondstoffen schaars zijn enorme afstanden afleggen. En hoe mobieler mensen zijn, hoe groter de kans is dat ze anderen tegenkomen. Dat gezegd hebbende is het met het oog op de geringe omvang van de populaties en het feit dat Afrika heel uitgestrekt is, aannemelijk dat verschillende populaties voornamelijk lange tijd van elkaar gescheiden waren en dat kan de diversiteit aan fossiele resten verklaren.” Juist in een isolement kan een soort zich immers helemaal aanpassen aan de omgeving en zich en passant van andere, geïsoleerde populaties gaan onderscheiden.

Een schematische weergave van het model dat de onderzoekers nu voorstellen (links) en het tot op heden dominante model dat uitgaat van een tamelijk overzichtelijke evolutionaire stamboom waarin eigenlijk niets anders gebeurt dan dat takken uit elkaar groeien (het ontstaan van nieuwe soorten) en takken doodlopen (het uitsterven van soorten). De weergave laat heel mooi zien dat het nieuwe model, waarin nieuwe soorten ontstaan, soorten fuseren, genen uitwisselen en lokaal uitsterven) halverwege de tijd tot een grotere diversiteit leidt. Afbeelding: Claudiu Pantiru / Max Planck Institute for the Science of Human History.

In lijn met teruggevonden resten
Over de vraag wat nu het meest overtuigende argument voor deze nieuwe kijk op onze evolutionaire geschiedenis is, hoeft Scerri niet lang na te denken. “Er zijn heel weinig fossielen uit de vroege perioden van de menselijke evolutie in Afrika en er is zelfs helemaal geen genetisch bewijs uit die tijd. De fossielen die we hebben, zijn bovendien divers en komen uit verschillende delen van Afrika. Een vergelijkbaar patroon zien we onder archeologische vondsten, waarbij grote transities in de materiële cultuur op verschillende plekken in Afrika min of meer tegelijkertijd lijken te hebben plaatsgevonden. Dat is niet in lijn met het idee dat mensen zoals wij – en hun onmiddellijke voorouders – slechts in één deel van Afrika leefden. Om dat bewijs te kunnen verklaren en vast te kunnen houden aan het idee dat we op één locatie zijn ontstaan, moeten de verklarende modellen wel steeds complexer worden.” Het model dat Scerri en collega’s nu voorstellen, is opvallend eenvoudig en past bij wat we weten. “Het idee dat voorouders van de mens zich reeds over het Afrikaanse continent verspreid hadden en dat mensen zoals wij ontstonden uit dynamische uitwisselingen die binnen deze lappendekken van populaties plaatsvonden, is in lijn met wat fossielen, archeologische vondsten, genetische data van recentere Afrikanen (die in de laatste 10.000 jaar leefden, red.) en klimatologische gegevens van Afrika ons laten zien.”

De hobbits
Volgens Scerri kan het nieuwe model waarin zij en haar collega’s onze evolutionaire geschiedenis gieten, zelfs verklaren waarom we – zelfs buiten Afrika – soms op tamelijk onverwachte populaties mensachtigen stuiten. Ze denkt dan bijvoorbeeld aan Homo floresiensis, een kleine mensachtige (ook wel ‘de Hobbit’ genoemd) die op het Indonesische eiland Flores is aangetroffen. “Isolatie leidt tot diversiteit. Het lijkt aannemelijk dat verschillende mensachtigen elke keer als de door de Sahara en Arabische Woestijn gevormde woestijngordel zich versmalde, Afrika verlieten (en Eurazië in trokken, red.). Eurazië is een uitgestrekt gebied om te verkennen en om op unieke manieren in te evolueren.”


Implicaties
Het onderzoek verandert onze kijk op onze eigen evolutionaire geschiedenis en heeft implicaties voor toekomstig onderzoek. “Misschien wel de belangrijkste implicatie is dat we ons onderzoek niet langer kunnen beperken tot kleine, reeds goed bestudeerde gebieden in Afrika,” vertelt Scerri aan Scientias.nl. “Ik wil het belang van belangrijke gebieden in het oosten en zuiden van Afrika niet ondermijnen; deze gebieden hebben duidelijk belangrijke vondsten opgeleverd. Maar als we denken dat slechts kleine gebieden in Afrika er voor onderzoek toe doen, ontstaat er een cirkelredenering.” Alleen die gebieden leveren dan immers belangrijke fossiele vondsten op, die het idee dat alleen deze gebieden ertoe doen, onderschrijven. “Afrika is groot en overal waar we kijken, vinden we nieuwe informatie die het verhaal van de menselijke evolutie lijkt te veranderen (…) Wat ik wil zeggen, is dat als we modellen belangrijker achten dan data, dan zal elke nieuwe ontdekking ons dwingen om grote veranderingen aan te brengen in het nu dominante model voor de menselijke evolutie. Maar als we accepteren dat onze soort vele wortels heeft en accepteren dat diversiteit altijd onderdeel is geweest van ons verhaal, dan kunnen we ons losmaken van de verleiding om nieuwe subsoorten aan te wijzen of ingewikkelde argumenten te bedenken om ontdekkingen die buiten de schijnbare bakermat van de mensheid – gelegen in een klein deel van Afrika – zijn gedaan, te ontkrachten. Door er op deze nieuwe manier naar te kijken, is de kans dat we grote nieuwe ontdekkingen gaan doen ook groter, omdat het nieuwe model ons aanmoedigt om naar andere delen van Afrika te kijken.”

Dé plek van ons ontstaan, bestaat niet
Het betekent ook dat we niet langer hoeven te zoeken naar dé plek van ons bestaan. “Evolutie is een lang proces en dat heeft niet op één plek plaatsgevonden.” Het is eigenlijk heel logisch. “Zelfs geen enkele persoon ontstaat op één plek. Kijk maar naar je eigen stamboom en je ziet dat je voorouders uit verschillende gebieden komen en allemaal verschillende kenmerken meebrachten die met elkaar vermengd zijn en resulteren in een bepaald individu. Net zoals het begrijpen van jouw stamboom vereist dat je de processen die al deze individuen bij elkaar hebben gebracht, begrijpt, moeten we onze oorsprong zien als een proces waarin verschillende populaties in verschillende regio’s een rol speelden.”

Het verandert uiteindelijk mogelijk zelfs de kijk die we op onszelf hebben. “Het vertelt ons dat we niet het resultaat zijn van een simpel, lineair proces. Het vertelt ons dat er niet één koloniserende populatie was waarvan we allemaal afstammen. Het vertelt ons dat onze wortels als een net zijn dat over Afrika – en in beperktere mate over Eurazië – is uitgegooid. Dat is eigenlijk een veel opwindender en interessanter verhaal dat bovendien wel eens kan gaan onthullen waarom wij zo succesvol zijn.”