Vandaag of morgen kan het gebeuren: dan schiet de zon een zonnevlam op ons af die de aarde zal verschroeien of op zijn minst tot allerlei rampscenario’s zal leiden. Theoretisch een mogelijkheid, maar realistisch ook een waarschijnlijkheid?

Zonnevlammen en zonnevlekken houden de mensheid bezig en we houden beide verschijnselen nauwlettend in de gaten. Zonnevlekken zijn relatief donkere vlekken op het zonoppervlak. Daar is het zo’n 1500 graden Celsius koeler dan de rest van het oppervlak, dat ongeveer 6000 graden Celsius is. Op die plekken is de warmteaanvoer vanuit het midden van de zon verminderd. De zonnevlekken zijn tijdelijk en verschijnen vaak in paren, met wisselende polariteit van de veldrichting.

De actieve zon
Zonnevlammen houden verband met de zonnevlekken. “Die zonnevlekken geven de activiteit van de zon aan. Veel zonnevlekken bij elkaar, zorgen voor explosies en dus zonnevlammen. De deeltjes van zo’n vlam komen na een paar dagen ook op de aarde terecht en in ons magneetveld. Op de noordpool en zuidpool zien we de deeltjes botsen met de deeltjes in onze atmosfeer: het noorderlicht of zuiderlicht. Dat wil zeggen, alleen als ze onze kant op komen. De aarde is een klein doelwit. Zo’n zonnevlam, kan inderdaad heel heftig zijn. Gemiddeld 1 keer in de 2000 tot 3000 jaar, is er een zonnevlam die dusdanig groot is dat deze veel schade aan de aarde zou kunnen toebrengen. Nu zegt dat gemiddelde misschien niet zo veel, want morgen en overmorgen zo’n vlam en dan 6000 jaar niets, is ook gemiddeld 1 x in de 3000 jaar. Toch is het niet zo dat we hier echt voor moeten vrezen. Afgezien van het feit dat zo’n verwoestende vlam dus niet zo vaak voorkomt, zou zo’n vlam dan ook nog eens precies de kant van de aarde op moeten schieten. En dat zou wel heel toevallig zijn,” verklaart professor Rob Rutten, hoogleraar in de bètawetenschappen en natuurkunde aan de universiteit Utrecht en voorheen sterrenkundige aan deze universiteit.


Waar komen de verhalen dan vandaan dat we moeten vrezen voor onze ondergang? Die zouden volgens Rutten wel eens te maken kunnen hebben met de zogeheten zonnecyclus. “De zon is niet altijd even actief. Als we kijken naar grafieken die de hoeveelheid en hevigheid van zonnevlammen weergeven, zie je dat de zon een cyclus heeft van 11 jaar waarin de hoeveelheid zonnevlammen piekt en dan weer afneemt. Op dit moment zitten we in het rustige gedeelte van de cyclus en we weten sinds Galilei dat dit over een paar jaar weer toeneemt. Dat doet de zon vermoedelijk al heel lang. Om de elf jaar klappen de magnetische polen van de zon om. De zon heeft niet zoals de aarde een noordpool en een zuidpool. Bij de zon wisselt de magnetische ordening tussen de zuidelijke en de noordelijke helft. Hoewel de zonnevlekken op de hele zon voorkomen en niet alleen op één magnetisch helft, is zo’n cyclus van 11 jaar dus eigenlijk op één helft van de zon, de volgende cyclus is op de andere helft. Eigenlijk zou je dus kunnen spreken van een 22-jarige cyclus. Maar dat maakt voor ons op aarde niet veel uit. Daar merken wij niets van.”

Klimaatverandering door de zon?
Ook het klimaat op aarde heeft niets te vrezen van de zonnevlammen of de cyclus waarin de activiteit plaats vindt. “Er is inderdaad een theorie geweest dat een hogere activiteit van de zon, een oorzaak was van de klimaatverandering op aarde. Dat komt eigenlijk omdat er een verband werd gezien tussen de mini-ijstijd in Europa die rond 1650 begon en het feit dat er in die periode amper zonneactiviteit werd waargenomen: er was een minimum aantal zonnevlammen. Als minder zonnevlammen, minder warmte op aarde betekende, betekende dat dan ook dat méér zonnevlammen, méér warmte geeft op aarde? Er was ook sprake van een gelijktijdige stijging van het aantal vlekken en de temperatuur op aarde gedurende de jaren 1950-1990.

Die theorieën bleken niet helemaal te kloppen. Ten eerste was het rond 1650 alleen in Europa kouder dan normaal, niet in de rest van de wereld. En dat zou je wel verwachten als de geringe activiteit van de zon debet was aan het afkoelen. Verder ging de opwarming van de aardbol ook na 1990 door, terwijl de maxima van zonnevlekken juist weer naar omlaag gingen. We vermoeden dat de zon altijd deze cycli heeft gehad, gedurende het bestaan van de aarde. Dat blijkt ook uit versteende boomringen. Of er hier nu ijstijden waren of dat het juist globaal tropisch heet was: er waren geen veranderingen in de cycli van de zonnevlammen. We kunnen dus verwachten dat een verhoogde zonneactiviteit niet leidt tot klimaatverandering hier op aarde,” aldus Rutten.


10 miljard atoombommen
Geen mondiaal bbq-tje dus voorlopig, maar dit betekent niet dat de zonnevlammen helemaal geen schade kunnen toebrengen aan de aarde of aan onze samenlevingen, volgens professor Henny Lamers in astronomie en ruimteonderzoek aan de Universiteiten van Amsterdam en Utrecht. “Op vrijdag 10 maart 1989 werd er een hele grote zonnevlam waargenomen. De deeltjes reisden met 500 km per seconde en kwamen op 13 maart aan op aarde. Om 02.44 uur ‘s nachts raakte een grote golf van die geladen deeltjes een elektriciteitscentrale in Quebec, Canada en veroorzaakte een kortsluiting. 6 miljoen mensen zaten vervolgens een halve dag in het donker en in de kou. Dat is dan natuurlijk wel uitzonderlijk. Als ik de energie die vrij komt bij zo’n zonnevlam zou vergelijken met de atoombom die op Hiroshima viel, dan moet je denken aan explosies op de zon die de energie hebben van miljoenen atoombommen. En dat zijn ‘gewone’ zonnevlammen. Die explosie van 1989 had een kracht van ongeveer 10 miljard atoombommen. Een geweldige hoeveelheid energie dus.”

Lamers wijst dan ook op het gevaar dat de zonnevlammen, niet zozeer direct, maar wel indirect aan mensen kunnen toebrengen. “We brengen steeds meer satellieten in een baan om de aarde, voor communicatie, gps of televisiestations. De kans dat die getroffen worden door stromen elektrisch geladen deeltjes afkomstig van zonnevlammen, neemt dus wel toe, simpelweg omdat er nu eenmaal méér satellieten zijn. Als daardoor bijvoorbeeld gps-satellieten buiten werking wordt gesteld, dan kunnen we daar veel last van ondervinden. Dat is ook de reden dat het bemande International Space Station voorzien is van een extra beschermende laag tegen de deeltjes van zonnevlammen.”

Voorlopig gedraagt de zon zich echter tamelijk netjes naar de aarde, hoewel het dus zeker geen kwaad kan de wegenkaarten nog even achter de hand te houden.