Morganucodon. Dit proto-zoogdier was een ongespecialiseerde insecteneter, die vooral ‘s nacht geleefd heeft. Vroeger dacht men dat alle zoogdieren uit het dino-tijdperk dit uiterlijk hadden. Nieuwe ontdekkingen hebben dit beeld op z’n kop gezet.

Het Mesozoïcum: het machtige tijdperk der dinosauriërs. Een tijd van reuzen en afschrikwekkende monsters. Onze voorouders, de zoogdieren, konden maar net overleven in de schaduw van de dino’s. Het waren kleine, ongespecialiseerde insecteneters, die ‘s nachts rondscharrelden, als de monsters sliepen.

Pas toen de inslag van een komeet een einde maakte aan de heerschappij van de dinosauriërs, waren zoogdieren in staat om andere vormen aan te nemen. Zo luidt het standaardbeeld van mesozoïsche zoogdieren. Maar klopt dat beeld wel?

Verscheidenheid
De laatste vijftien jaar is een gouden tijd voor de paleontologie geweest. Het is in deze jaren dat onweerlegbaar bewijs is gevonden voor een grote verscheidenheid aan gevederde dinosauriërs. Het is een minder bekend feit dat ook voor onze kennis van Mesozoïsche zoogdieren de laatste vijftien jaar een revolutie zijn geweest. Het blijkt dat zoogdieren een veel grotere rol hebben gespeeld in de ecosystemen van die tijd, dan ooit voor mogelijk is gehouden.

Klein
Tot eind jaren ’90 was onze kennis van Mesozoïsche zoogdieren bijzonder fragmentarisch. Dat komt doordat de zoogdieren uit die tijd vooral klein van stuk waren, waardoor ze lastig konden fossiliseren. Meestal zijn alleen de tanden teruggevonden, en die kunnen paleontologen niet veel vertellen over het uiterlijk en de levensstijl van de oorspronkelijke eigenaar ervan.

China
Toen kwam er een revolutie op gang. Er werden op verschillende plaatsen in de wereld, maar vooral in China, ongerepte steenlagen vol fossielen aangetroffen. De steenlagen in kwestie bleken bijzondere eigenschappen te hebben, waardoor fossilisering bijzonder effectief kon plaatsvinden. Hierdoor zijn vele markante details bewaard gebleven, details die in de meeste andere steenlagen niet bewaard zijn gebleven. Tot deze details behoren de fijne afdrukken van veren, die bij vele dinosauriërs zijn gevonden. Hetzelfde geldt voor zoogdieren: in plaats van alleen tanden, werd een enorme schat aan vrijwel complete skeletten teruggevonden, vaak met haar en al. Hierdoor is onze kennis van Mesozoïsche zoogdieren enorm toegenomen.

Vooroordeel
Wat hebben de nieuwe fossielen ons verteld? Wel, er schuilt nog steeds een bepaalde waarheid in het “kleine insecteneters”-vooroordeel. Veel ecologische niches die nu door zoogdieren zijn opgevuld, werden toen door dinosauriërs bezet. Toch blijkt dat sommige zoogdieren in de tijd vrij groot konden worden, en een grote verscheidenheid aan levensstijlen gehad hebben. Laten we een aantal van deze opmerkelijke zoogdieren aan u voorstellen.

Multituberculaten


Deze bijzonder soortenrijke groep zoogdieren was erg succesvol in het Mesozoïcum. Het waren geen insectenetende bodembewoners, maar plantenetende bomenklimmers. Multituberculaten hebben een aantal bijzondere aanpassingen aan hun levensstijl. De meest opmerkelijke hiervan waren hun tanden, en dan met name hun voortanden. Die waren bijzonder groot en gespecialiseerd en werden door een tandloos “gat” gescheiden van de rest van het gebit. Dit is een configuratie die we ook bij een moderne groep zoogdieren zien: de knaagdieren. Vandaar dat multituberculaten wel de “knaagdieren van het Mesozoïcum” worden genoemd.

Ze waren bijzonder succesvol: er zijn vele soorten bekend, en niet alleen uit het dinotijdperk. Multituberculaten hebben namelijk de Krijt-Paleogeen Extinctie overleeft, de massale uitsterving dat het einde van de dinosauriërs inluidde. Multituberculaten stierven pas zo’n 35 miljoen jaar geleden uit, vermoedelijk door concurrentie met de ‘echte’ knaagdieren.

Waar worden de multituberculaten geplaatst in de stamboom van de zoogdieren? Wel, ze worden niet geacht verwant te zijn aan welke moderne groep zoogdieren dan ook. Ze vormen een oeroude en unieke afsplitsing van de vroege zoogdieren. Als er al ‘moderne verwanten’ bestaan, dan zijn dat de monotrematen (vogelbekdier en mierenegels) – de verwantschap is echter zeer ver. Toch vertonen multituberculaten en monotrematen één belangrijke overeenkomst: ze planten zich voort door eieren te leggen.

Castorocauda

Dit is misschien wel het meest opmerkelijke zoogdier uit het Mesozoïcum. Castorocauda was een hoogst gespecialiseerd, semi-aquatische bewoner van de rivieren en meren uit zijn tijd. Het beest vertoont grote overeenkomsten met vogelbekdieren, otters en bevers – maar heeft deze eigenschappen geheel onafhankelijk ontwikkeld. Dit is een proces dat convergentie wordt genoemd.

De volledige naam van dit beest luidt Castorocauda lutrasimilis, en is afkomstig van het Latijnse castor (-bever), cauda (-staart), lutra (-otter) en similis (-lijkend op). De staart was breed en bedekt met schubben, ongeveer zoals die van een moderne bever. De fossielen laten ook het bewijs voor zwemvliezen zien. Hieruit blijkt dat Castorocauda een bijzonder goede zwemmer moet zijn geweest. De voorpoten van het beest vertonen daarnaast aanpassingen om te graven. In dit opzicht lijken de ledematen op die van het vogelbekdier, dat ook zwemt en graaft.

In tegenstelling tot bevers was Castorocauda een roofdier. De tanden laten duidelijke aanpassingen zien aan een dieet van vis. Dat betekent dat Castorocauda dus een piscivoor (viseter) is geweest. De tanden vertonen overeenkomsten met verschillende groepen moderne zoogdieren, maar vooral met zeehonden.

Castorocauda is aan geen enkele moderne groep zoogdieren verwant. Sterker nog: technisch gezien was het niet eens een honderd procent zoogdier. Castorocauda behoorde namelijk tot de Docodonta, een groep proto-zoogdieren die desondanks bijzonder zoogdierachtig zijn. Qua uiterlijk zijn ze niet van zoogdieren te onderscheiden, maar van binnen waren ze nog deels reptiel. Vooral het skelet vertoonde kenmerken die bijzonder afwijkend zijn ten opzichte van dat van ‘echte’ zoogdieren.

Fruitafossor

Van dit opmerkelijke zoogdier zijn vrijwel complete skeletten teruggevonden. Het beest was zo groot als een grondeekhoorn en leefde in het Jura, zeg maar halverwege het Mesozoïcum. Het skelet en gebit van Fruitafossor hebben verschillende eigenschappen die bijzonder doen denken aan gordeldieren en aardvarkens. Hieruit kan worden afgeleid dat de Fruitafossor gespecialiseerd was in het eten van koloniale insecten, waarschijnlijk termieten (mieren bestonden toen nog niet). Dat is een bijzondere specialisatie, zeker voor een zoogdier uit het Mesozoïcum.

De Fruitafossor wordt soms wel ‘Popeye’ genoemd, vanwege zijn buitenproportioneel sterke voorpoten. Dit is een duidelijke aanwijzing voor een gravende levensstijl. Hieruit kunnen twee conclusies getrokken worden: ten eerste was Fruitafossor waarschijnlijk een holengraver. Ten tweede kwamen de voorpoten ook goed van pas bij zijn dieet: ze zijn namelijk uitstekend geschikt om termietennesten mee open te breken.

Fruitafossor was aan geen enkele groep moderne zoogdieren verwant. Net zoals veel Mesozoïsche zoogdieren legde hij waarschijnlijk eieren. Wel laat Fruitafossor bepaalde skeletkenmerken zien die doen verraden dat hij behoorde tot een groep zoogdieren waar uiteindelijk de Theria uit ontstaan zijn: de zoogdieren die levende jongen baren. Waar Fruitafossor precies thuishoort in deze stamboom is lastig te achterhalen.

Volaticotherium

Dit Mesozoïsche zoogdier laat heel bijzondere aanpassingen zien: het was namelijk een zweefvlieger. Tussen de ledematen waren membranen bevestigd, waardoor Volaticotherium van boom tot boom kon zweven. Soortgelijke aanpassingen zien we bij moderne vliegende eekhoorns. De tanden van het beest waren bijzonder aangepast aan het eten van insecten, en zijn ledematen waren aangepast aan het leven in bomen.

De fossielen van Volaticotherium zijn bijzonder compleet. Zo hebben paleontologen kunnen vaststellen dat het zweefmembraan van Volaticotherium bedekt moet zijn geweest met een dikke vacht, en ondersteund werd door zowel de ledematen als de staart. De ontdekking van Volaticotherium levert het vroegste bewijs van een zwevend zoogdier en is zo’n 70 miljoen jaar ouder dan het één-na-oudste voorbeeld. Hiermee is het volgende bewijs geleverd dat zoogdieren in het Mesozoïcum een veel grotere variatie vertoond hebben dan voor mogelijk is gehouden.

Het zal niemand verbazen dat ook Volaticotherium niet verwant was aan moderne zoogdieren en dat zijn exacte positie niet bepaald kan worden. Mogelijk is er een (verre) verwantschap met de multituberculaten. De voorplanting van het beest geschiedde naar alle waarschijnlijkheid door middel van eieren.

Repenomamus


Het meest opvallende aan dit zoogdier is zijn grootte: hoewel de meeste zoogdieren uit zijn tijd klein van stuk waren, kon Repenomamus meer dan een meter lang worden. Het beest had een gedrongen lichaam en korte poten, waardoor het deed denken aan moderne dassen, of misschien nog meer aan Tasmaanse duivels.

Repenomamus had krachtige kaken en zijn tanden verraden een carnivore (vleesetende) levensstijl. Gezien zijn gedrongen lichaam en korte poten kan Repenomamus geen snelle renner zijn geweest. Waarschijnlijk besloop hij zachtjes zijn prooi. Opmerkelijk genoeg is van één Repenomamus de maaginhoud teruggevonden. Hierin werden de restanten van een hagedis teruggevonden, plus iets heel bijzonders: het skelet van een Psittacosaurus. Hiermee levert Repenomamus het beste bewijs dat sommige Mesozoïsche zoogdieren op dinosauriërs gejaagd hebben.

Repenomamus behoort tot een groep zoogdieren die Triconodonten zijn genoemd. Deze uitgestorven orde is nauw verwant aan de Theria (buideldieren en placentale zoogdieren). Het skelet van Triconodonten was vrijwel geheel modern, toch verraden de botten in het binnenoor dat het geen volledig modern zoogdier is geweest. Over de voortplanting van Repenomamus kan weinig gezegd worden: waarschijnlijk heeft het eieren gelegd, maar er is een kleine kans dat het levendbarend is geweest.