praten

We zeggen het – onbewust – wel tientallen keren op een dag: ‘uh’ of ‘uhm’. Het lijken overbodige haperingen, maar schijn bedriegt: nieuw Nederlands onderzoek toont aan dat ze wel degelijk een functie hebben.

Wat heeft de luisteraar eraan als u ‘uh’ of ‘uhm’ zegt? Nou, best veel, zo stelt taalwetenschapper Hans Rutger Bosker. Hij ontdekte dat luisteraars met deze haperingen in een zin onmiddellijk voorspellen welk woord gaat komen.

Experiment
Bosker trekt die conclusie op basis van experimenten. Hij liet proefpersonen plaatjes zien van heel bekende objecten (bijvoorbeeld een hand) en iets minder bekende objecten (bijvoorbeeld een naaimachine). Terwijl de proefpersonen naar de plaatjes keken, werden de bewegingen van hun ogen met behulp van eye-tracking vastgelegd. Bovendien kregen de proefpersonen gesproken instructies te horen die vertelden op welk object ze moesten klikken.

WIST U DAT…

…ons brein het niet aankan als we tegelijkertijd praten en linksaf slaan?

Klik op..uh..
Wanneer de proefpersonen een hapering hoorden in de gesproken instructie – bijvoorbeeld: “Klik op uh…” – keken zij meteen richting het minder bekende object op het scherm. “Blijkbaar vonden zij het waarschijnlijker dat de spreker uhm-t voor een minder bekend object, zoals naaimachine, dan voor hand,” vertelt Bosker. “Zo blijkt dat luisteraars uh’s gebruiken om onmiddellijk te voorspellen welk woord er gaat komen.”

Moedertaal
Grappig genoeg gaan de conclusies van Bosker alleen op wanneer we iemand in zijn moedertaal horen spreken. “Als luisteraars dezelfde instructies hoorden, maar dit keer met een sterk buitenlands accent, hadden zij géén voorkeur voor minder bekende objecten bij het horen van uh. Een uh met een buitenlands accent ‘betekent’ blijkbaar echt iets anders dan een uh met een Nederlands accent.”

Maar wat kunnen we nu met Boskers bevindingen? Volgens Bosker zijn ze bijvoorbeeld relevant bij het afnemen van taaltoetsen. Bij deze toetsen worden mensen vaak afgerekend op haperingen. Onterecht, vindt Bosker. “Uit mijn onderzoek blijkt dat niet alle haperingen slecht zijn voor communicatie: soms zijn ze ‘bruikbaar’ voor de luisteraar om te voorspellen wat komen gaat. Daarom ben ik van mening dat taaltoetsen niet het aantal haperingen zouden moeten meten, maar idealiter onderscheid zouden moeten maken tussen ‘bruikbare’ en ‘niet-bruikbare’ haperingen.”