Het bewijs voor herinfectie stapelt zich op. Net als de aanwijzingen dat een tweede infectie niet per se milder verloopt dan de eerste.

In het blad The Lancet beschrijven onderzoekers het eerste – met behulp van genetisch onderzoek – bewezen geval van herinfectie in de Verenigde Staten. Het is wereldwijd gezien de vijfde bewezen herinfectie. En daarmee stapelt het bewijs dat corona herhaaldelijk kan toeslaan, zich op. “Alle mensen, of ze nu eerder met COVID-19 zijn gediagnosticeerd of niet, zouden dezelfde voorzorgsmaatregelen moeten nemen om infectie door SARS-CoV-2 te voorkomen,” zo concluderen de onderzoekers.

Casus
Ze baseren zich onder meer op de casus die ze in hun nieuwe artikel beschrijven. Hun studie handelt over een 25-jarige man die eind maart last kreeg van keelpijn, hoofdpijn en diarree. Ook moest hij hoesten en was hij misselijk. Omdat de symptomen pasten bij het coronavirus werd hij in april getest en die test was positief. De man ging in quarantaine en knapte op; eind april waren alle symptomen verdwenen.


Maar op 28 mei meldt dezelfde man zich in het ziekenhuis met koorts, hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid en diarree. Ook moet hij opnieuw hoesten. Hij keert weer huiswaarts, maar krijgt vijf dagen later last van kortademigheid en heeft extra zuurstof nodig. Voor de zekerheid wordt hij opnieuw getest en op 5 juni test hij opnieuw positief op het coronavirus.

Tweede besmetting
De feiten wezen er voorzichtig op dat de man opnieuw met het coronavirus besmet was. Zeker omdat hij tussen de vermeende eerste en vermeende tweede besmetting nog twee negatieve coronatests had. Maar om er zeker van te zijn dat de man het virus twee keer heeft opgelopen, voerden de onderzoekers ook genetisch onderzoek uit. Ze vergeleken het genetisch materiaal van het virus dat de man in april onder de leden had met het genetisch materiaal van het virus dat in juni bij de man werd aangetroffen. Ze stuitten op ‘significante verschillen’ en concluderen dan ook dat de man echt twee keer geïnfecteerd is.

Zes weken
Wat opvalt is de korte periode tussen de eerste en tweede besmetting. Zo zitten er slechts zes weken tussen. Daarnaast ontwikkelde de man de tweede keer ernstigere symptomen dan de eerste keer. Dat laatste hebben we slechts één keer eerder gezien, bij een patiënt in Ecuador. In de overige drie gevallen van bewezen herinfectie – gerapporteerd in Nederland, België en Hong Kong – verliep de tweede infectie juist milder. Onduidelijk is nog waarom een tweede infectie bij de één milder en bij de ander ernstiger verloopt.


Zeldzaam of veelvoorkomend?
Ook blijft onduidelijk hoe veelvoorkomend of juist zeldzaam de herinfecties zijn. “Het kan een vrij zeldzaam fenomeen blijken te zijn,” zo stelt microbioloog Simon Clarke, verbonden aan de universiteit van Reading en niet betrokken bij het onderzoek. “Maar het is evengoed mogelijk dat dit de eerste gevallen zijn en dat er nog veel meer komen.”

Vaccins
Meer onderzoek naar deze herinfecties is hoe dan ook heel belangrijk. “Als mensen gemakkelijk opnieuw geïnfecteerd kunnen worden, kan dat weleens implicaties hebben voor vaccinatieprogramma’s en ons begrip van wanneer en hoe deze pandemie tot een einde gebracht wordt,” aldus Clarke. Waar de – tot op heden spaarzame – voorbeelden van herinfectie op wijzen, is namelijk dat in ieder geval sommige mensen die het virus oplopen daarna in het gunstigste geval slechts kortdurend immuun zijn voor SARS-CoV-2. En de vraag is dan ook hoe dat precies zit met immuniteit die niet is ontstaan door een doorgemaakte infectie, maar door toediening van een vaccin. “Het is mogelijk dat een COVID-19-vaccin niet volledig beschermt,” bevestigt professor Brendan Wren, als vaccinoloog verbonden aan de London School of Hygiene & Tropical Medicine en niet betrokken bij het onderzoek. “Maar met het oog op de meer dan 40 miljoen besmettingen wereldwijd is het aantal herbesmettingen klein en deze moeten ons er dan ook niet van weerhouden om door te gaan met het ontwikkelen van vaccins.”

Groepsimmuniteit
Verder tornen de – nu nog spaarzame – herbesmettingen ook aan het idee van groepsimmuniteit. Deze in het begin van de pandemie nog door sommige overheden omarmde strategie leunt op het idee dat mensen die het virus onder de leden hebben gehad, het niet meer kunnen krijgen en doorgeven. Door het virus zijn gang te laten gaan onder groepen die weinig risico’s lopen – bijvoorbeeld jongere populaties – en risicogroepen af te schermen, zou het virus zich over niet al te lange tijd nauwelijks meer kunnen verspreiden en ook risicogroepen vrijwel veilig zijn. De strategie is inmiddels door vrijwel alle overheden overboord gegooid, omdat bleek dat deze toch tot een overbelasting van het zorgstelsel kon leiden en veel mensen met milde symptomen toch langdurige klachten overhouden aan een infectie.

Waar onderzoeken na herbesmettingen in beginsel nog gehinderd werden door het feit dat het virus nog maar net voor het eerst rondging en er weinig testmogelijkheden waren, is het in theorie nu veel beter mogelijk om herbesmettingen vast te stellen en te onderzoeken. Als ze vaak voorkomen, mogen we dan ook verwachten dat we er de komende maanden meer gaan zien. En hopelijk kunnen dan ook de prangende vragen die onderzoekers nog over deze herbesmettingen en hun implicaties hebben, beantwoord worden. “Wat de voorlopige resultaten nog maar eens laten zien is dat we nog steeds niet genoeg weten over de immuunrespons op deze virusinfectie,” stelt professor Paul Hunter, verbonden aan de University of East Anglia en niet betrokken bij het onderzoek. “We moeten deze herbesmettingen met een ernstiger ziekteverloop nader bestuderen, om vast te kunnen stellen of er specifieke genetische of andere factoren zijn die de kans op een ernstig ziekteverloop vergroten en dan hopelijk manieren vinden om ernstige infecties te voorkomen of beperken.”