20121102-130548.jpg

Wetenschappers hebben gemeten hoeveel licht er ooit in het universum is geweest. Met data van de Fermi Gamma-ray Space Telescope hebben ze een goed beeld gekregen van de totale hoeveelheid licht die alle sterren ooit hebben uitgestraald.

Het is nogal een opgave, om het licht van al die miljarden sterren te meten. Het was wel één van de primaire doelen van de Fermi Gammatelescoop. De astronomen keken voor de metingen naar een grote kosmische mistwolk.

Stralingswolk
De lichtstralen die de telescoop mat, creëeren samen een wolk van straling. Dat heet de Extragalactic Background Light, of EBL. Die EBL kan worden onderzocht door naar gammastraling van verre objecten te kijken. Door de straling te meten die door de wolk gaat, kunnen de astronomen meten hoeveel licht erop valt. Dat geeft een goede indicatie van hoeveel licht er in totaal in het universum is, en is geweest, zeggen de astronomen.

Wist u dat…

… astronomen eerder al licht opvingen uit het oudste deel van het universum?

Blazars
De gammastraling komt van verre sterrenstelsels, genaamd blazars. Dat zijn sterrenstelsels waar een groot zwart gat aanwezig is. De aantrekkingskracht van die zwarte gaten slingert dan soms gammastraling weg. Wanneer die richting de aarde komt, valt het samen in de EBL. Er werd straling gemeten uit zo’n 150 verschillende blazars vanuit alle kanten van het universum. “Er zijn er echter enkele duizenden,” vertelt astronoom Marco Ajello die met Fermi werkt. “Maar deze 150 zijn een goede steekproef van hoeveel licht er nog meer op de EBL valt.” Omdat blazars zo ver van elkaar afstaan, heeft het de Fermi-telescoop ruim vier jaar gekost om genoeg data te verzamelen.

Dood sterrenlicht
Het licht komt ook van sterren die al lang gedoofd zijn. Ajello legt uit hoe dat komt: “Het sterrenlicht blijft door het heelal reizen, ook als de ster al gedoofd is. Dat zorgt ervoor dat het Extragalatic Background Light ook ‘oud’ licht bevat, waardoor we ook kunnen meten hoeveel licht er óóit is geweest.”

Gemiddelde afstand
De wetenschappers hebben door deze metingen ook uitgevonden hoe ver de gemiddelde ster van andere sterren afstaat. Ze maten daarbij het licht uit verschillende periodes uit de geschiedenis van het heelal, en hoe lang dat licht erover deed om door de mistwolk heen te komen. Daaruit concludeerden ze dat er gemiddeld 1.4 sterren per 100 miljard kubieke lichtjaren staan. Dat betekent dat er gemiddeld 4.150 lichtjaren afstand tussen twee sterren is.

Hoeveel licht er nu daadwerkelijk in het universum is geweest, gaan de astronomen nu uit de data opmaken. Dat gaat waarschijnlijk nog wel een tijdje duren.