De Verenigde Arabische Emiraten kondigden deze week aan een soort ‘ruimte-rechtbank’ te openen. Voor al uw buitenaardse conflicten.

Het klinkt misschien een beetje als sciencefiction, maar niets is minder waar. In Dubai wordt momenteel echt gewerkt aan een hof van arbitrage waar ruimtevaartbedrijven aan kunnen kloppen als ze met elkaar in de clinch liggen. Nog op te leiden deskundigen op het gebied van ruimterecht (zogenoemde arbiters) zullen zich dan over het conflict buigen en uitspraak doen.

Den Haag
De Verenigde Arabische Emiraten konden zich met de aankondiging van hun ‘Courts of Space‘ in enorme media-aandacht verheugen; een arbitragetribunaal voor buitenaardse conflicten spreekt natuurlijk ook tot de verbeelding. Wat weinigen echter weten, is dat er al een internationaal gerechtshof is waar je met je ruimtegerelateerde geschillen terecht kunt. En wel in ons eigen Den Haag!

Het maakt onderdeel uit van het intergouvernementele Permanent Hof van Arbitrage (PHA) en stelde al in 2011 optionele arbitrageregels voor ruimtevaart gerelateerde geschillen op, zo vertelt drs. Tanja Masson-Zwaan, werkzaam bij de faculteit Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Leiden en één van de arbiters die binnen het Permanent Hof van Arbitrage klaarstaan om een tribunaal te vormen en geschillen tussen ruimtevaartbedrijven te beslechten.

Rechtbank versus arbitrage
Wanneer je een conflict hebt, kun je naar de rechtbank stappen. Maar een rechtszaak duurt vaak lang en is ook erg kostbaar. Arbitrage is een stuk goedkoper en gaat ook veel sneller. De partijen die met elkaar in de clinch liggen – dat kunnen twee bedrijven zijn, maar ook een bedrijf of een staat of internationale organisatie zijn – wijzen elk een aantal deskundige arbiters aan, die samen een arbitragetribunaal vormen, dat vervolgens uitspraak doet over het conflict.

Motieven
Dat de Verenigde Arabische Emiraten nu ook een hof van arbitrage voor ruimtegerelateerde verschillen openen, heeft Masson-Zwaan wel verbaasd. Want De Verenigde Arabische Emiraten zijn één van de meer dan 100 staten die zich aan het Permanent Hof van Arbitrage verbonden hebben en daar dus een beroep op kunnen doen bij geschillen. Hetzelfde geldt voor bedrijven of internationale organisaties die in de Verenigde Arabische Emiraten (en andere lidstaten) gevestigd zijn. Het oprichten van een eigen hof van arbitrage lijkt dan ook overbodig. Maar als je inzoomt op de verrichtingen en ambities die de Verenigde Arabische Emiraten hebben, lijken de motieven duidelijker te worden. “De Verenigde Arabische Emiraten zijn heel ambitieus. Ze willen bijvoorbeeld naar Mars en grondstoffen gaan delven in de ruimte.” Deze activiteiten brengen (nieuwe) juridische vragen met zich mee. Een hof van arbitrage dat middels uitspraken over deze en andere ruimteactiviteiten een beeld schetst van wat de Verenigde Arabische Emiraten toelaatbaar achten, kan zo een interessant vestigingsklimaat creëren voor bedrijven. Een klimaat waarin deze bedrijven precies weten waar ze aan toe zijn en hoe ver ze kunnen gaan. “Het kan een poging zijn om nieuwe bedrijven aan te trekken,” concludeert Masson-Zwaan.

Behoefte
Of het komend jaar al storm gaat lopen bij de ruimte-arbiters in Dubai is overigens twijfelachtig. Hoewel het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag al tien jaar arbitrage voor ruimtegerelateerde conflicten aanbiedt, is daar nog nooit gebruik van gemaakt. “Geschillen zijn er heus wel,” benadrukt Masson-Zwaan. Maar waarschijnlijk lossen ruimtevaartbedrijven ze nu anders op. “Ze stappen voor arbitrage naar andere partijen, zoals bijvoorbeeld de International Court of Arbitration, onderdeel van de International Chamber of Commerce.” Masson-Zwaan wijst er daarbij op dat maar weinig mensen weten dat ze voor ruimtegerelateerde conflicten ook welkom zijn bij het Permanent Hof van Arbitrage. “Het is nog niet zo goed vermarkt.” En dat is jammer. “Want hier zitten toch deskundigen die jaren over de regels voor arbitrage hebben nagedacht.” Toch heeft Masson-Zwaan goede hoop dat ruimtebedrijven of -organisaties het Permanent Hof van Arbitrage de komende jaren weten te vinden. “De behoefte aan arbitrage groeit. Er komen steeds meer bedrijven in de ruimte. En dus krijg je ook meer geschillen.”

Contract
De geschillen waar het Permanent Hof van Arbitrage klaar voor zit, zijn contractueel van aard. “Denk bijvoorbeeld aan conflicten omtrent intellectueel eigendom. Of een conflict over een satelliet die niet geleverd wordt.” De uitspraak in dergelijke zaken is geworteld in bestaande wet- en regelgeving, waaronder het bekende ruimteverdrag uit 1967 (zie kader). “Dat is altijd de basis,” stelt Masson-Zwaan.

Het ‘Verdrag inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen’ is door 110 staten ondertekend en wordt ook door niet-ondertekenaars inmiddels wel gezien als de norm. Het verdrag bestempelt de ruimte als ‘province of all mankind’ en stelt onder meer dat staten zich de ruimte – en de hemellichamen die daar te vinden zijn – niet mogen toe-eigenen. Wel mogen ze deze vrij gebruiken. Tegelijkertijd dienen staten er wel op te letten dat hun ruimte-activiteiten die van andere staten niet schaden en dat het milieu in de ruimte niet negatief beïnvloed wordt. Hoewel het verdrag alleen ondertekend is door staten, zijn ook bedrijven hier – eigenlijk indirect – aan gebonden. Want wanneer zij een bepaalde activiteit in de ruimte willen ondernemen, hebben ze goedkeuring nodig van het land waarin ze gevestigd zijn en dat land is weer gebonden aan het verdrag.

Open juridische vragen
In afwachting van de eerste conflicten die zich bij het Permanent Hof van Arbitrage aandienen, hoeven ruimterechtdeskundigen zoals Masson-Zwaan overigens niet stil te zitten. Er is namelijk buiten de contractuele geschillen om ook nog genoeg om over na te denken. “De ruimtevaart is in een stroomversnelling terechtgekomen en er zijn nog veel open juridische vragen,” stelt Masson-Zwaan. Hoewel het ruimteverdrag uit 1967 – dat in de jaren erna ook wel is uitgediept – in grove lijnen een goed beeld geeft van wat acceptabel is, is er meer nodig. Want er komen in de ruimte steeds meer gebruikers bij. Zij hebben gerechtvaardigde, maar steeds vaker ook tegengestelde belangen. “Neem bijvoorbeeld Elon Musk en zijn Starlink. Hij heeft al zo’n duizend satellieten in een baan om de aarde gebracht en dat moeten er uiteindelijk 40.000 worden. Musk heeft een gerechtvaardigd belang om die satellieten in een baan om de aarde te brengen; hij wil breedbandinternet mogelijk maken op plaatsen waar dat nu nog niet is. Maar dat levert gelijktijdig allerlei problemen op; er zijn zorgen over ruimtepuin en astronomen klagen over het licht dat de satellieten reflecteren. Wanneer sterrenkundigen – met publiek geld – onderzoek willen doen, zit dat licht in de weg. Hun belang mag er ook zijn; wetenschap staat aan het begin van alles, waaronder ook commerciële spin-offs. Het zijn dit soort belangen die in balans moeten worden gebracht. Bijvoorbeeld door te eisen dat Musks SpaceX voor lancering van de Starlink-satellieten een milieu-afweging maakt en reeds nadenkt over hoe de satellieten na hun werkzame leven moeten worden opgeruimd en of het met het oog op lichtvervuiling misschien beter is om ze zwart te verven. Daar ligt een taak voor nationale overheden, maar zeker ook voor het Comité voor Vreedzaam Gebruik van de Ruimte (onderdeel van de VN).” Maar terwijl technologische ontwikkelingen elkaar rap opvolgen en het ene na het andere ruimtebedrijf plannen onthult voor satellietconstellaties, missies naar de maan of Mars, verloopt de juridische besluitvorming – zeker op internationaal niveau – langzaam. “Bij het Comité voor Vreedzaam Gebruik van de Ruimte zijn nu zo’n honderd landen aangesloten en het comité werkt met consensus; dus er wordt niet gestemd, maar iedereen moet het met nieuwe voorstellen eens zijn.” Daar gaat natuurlijk nogal wat gesteggel aan vooraf. “Vorig jaar zijn er bijvoorbeeld nieuwe richtlijnen over het duurzaam gebruik van de ruimte aangenomen, maar aan dat akkoord is zo’n tien jaar gewerkt.”

Aan tafel
En zo sukkelt de wet- en regelgeving toch een beetje achter de ruimtebedrijven en hun wilde plannen aan. “Recht kun je niet van tevoren bepalen, maar je wilt er natuurlijk ook weer niet te ver achteraan lopen,” benadrukt Masson-Zwaan. Wellicht kunnen de plannen van de Verenigde Arabische Emiraten wat dat betreft helpen, doordat ze de internationale gemeenschap weer even wakker schudden. Dat er vroeg of laat ook op internationaal niveau meer wetten en regels voor het gebruik van de ruimte omarmd worden, staat volgens Masson-Zwaan vast. “Uiteindelijk is de ruimte voor alle landen strategisch gezien zo van belang, dat iedereen toch wel aan tafel komt. Maar het is een diplomatiek spel. En dat kan even duren.”

In Dubai gaan ze er niet op zitten wachten, maar gaan ze hun eigen gang. Eerste taak van de Courts of Space? In kaart brengen wat er allemaal speelt en hoe conflicten in de ruimte kunnen uitpakken. Vervolgens moeten er richtlijnen komen voor arbitrage. En daarna worden rechters getraind om ruimtegerelateerde geschillen te beslechten. Ze lopen daarmee een paar stappen achter op Den Haag, waar in 2011 al richtlijnen voor arbitrage werden opgesteld en Masson-Zwaan onlangs weer voor een periode van 6 jaar als arbiter is aangesteld. Of die nieuwe termijn wel ruimtegerelateerde geschillen brengt, is afwachten. Maar in Den Haag zitten ze er in ieder geval – al heel wat jaren – klaar voor.