Het 150 miljoen jaar oude fossiel van de archaeopteryx – oftewel: de dinovogel – leek lang niets anders dan gefossiliseerd bot en gesteente te zijn. Totdat de wetenschappers het nog eens van dichtbij bekeken. Het fossiel blijkt nu ook restanten van de originele lichaamsstoffen van de dinovogel te herbergen.

Het is een sensationele ontdekking waar tal van mogelijkheden uit voortvloeien. Het fossiel kan gemakkelijk een revolutie teweegbrengen in de paleontologie. Want over de botten en bouw van het dier weten we al veel, maar hoe zag het er nu van binnen uit en welke stoffen waren daar aan het werk?

Veren
De archaeopteryx – voor de helft dinosaurus en voor de andere helft vogel – heeft de antwoorden. En de eerste conclusies zetten het beeld dat wij hebben van de archaeopteryx al op z’n kop. Zo blijken bepaalde delen van de veren niet zoals lang werd aangenomen, uit organisch materiaal te bestaan. Nee: er zit fosfor en zwavel in. Elementen die ook vandaag de dag de veren van de vogel vormen.

Bot
In de botten vonden de wetenschappers koper en zink. De archaeopteryx lijkt de stoffen net als de moderne vogel te hebben gebruikt om gezond te blijven.

Icoon
Het is zomaar een greep uit de voorlopige ontdekkingen. Ontdekkingen die de wereld van een paleontoloog kunnen omkeren. “Archaeopteryx is voor de paleontologie wat Toetanchamon voor de archeologie is,” legt paleontoloog Phil Manning uit. “Het is simpelweg één van de iconen uit ons beroepsveld. Je zou denken dat we na 150 jaar onderzoek alles weten wat we moeten weten over dit dier. Maar je raadt het al: dat is niet zo.”

Dinovogel
Jarenlang is er gesproken over de fysieke link tussen dinosaurussen en vogels. De ontdekking van de chemicaliën maakt het mogelijk om die link ook op chemisch gebied te leggen. En dat vormt samen een mooie bewijslast.

Scan
De onderzoekers lieten de archaeopteryx een heel nauwkeurige scan ondergaan. Deze scan is in staat om zelfs de kleinste chemische sporen bloot te leggen. Door ook de omliggende gesteenten te scannen, kon worden vastgesteld dat de chemicaliën niet uit de stenen, maar uit de dinovogel zelf komen.

Volgens de onderzoekers verandert dit onderzoek de manier waarop paleontologen werken. “We zijn in staat om zoveel meer van deze organismen te leren door deze technologie te gebruiken,” vertelt onderzoeker Roy Wogelius. “Chemie is de sleutel naar de toekomst van de paleontologie.”