Dit is geen typo, je leest het goed: de oiconomie doet een entree in de samenleving. En zal zo een steentje bijdragen aan een eerlijker samenleving.

Om bij het begin te beginnen: oiconomie is een nieuw economisch stelsel, een duurzamer en verantwoorder systeem, afgeleid van het Griekse woord ‘oikos’ voor ‘huishouding’, waarvan ook onze begrippen ‘economie’ en ‘ecologie’ zijn afgeleid. Wetenschapper en van origine levensmiddelentechnoloog Pim Croes van de Universiteit Utrecht ontwikkelde een methode om onze producten eerlijker te prijzen. De prijs die we nu betalen voor producten is immers berekend zonder de schade aan maatschappij, mens of milieu mee te nemen. En die schade móet toch eens betaald worden. Hoe langer de rekening onbetaald blijft, des te hoger die oploopt. De roep van consumenten om duurzame producten en productprijzen die het gebrek aan duurzaamheid compenseren, zwelt aan.

Zieke economie
“Het economisch systeem dat we nu gebruiken, is ziek, op sterven na dood. U en ik betalen een prijs voor producten die helemaal niet realistisch is. Dat niet alleen, we worden indirect ook nog eens gestimuleerd in onze consumptiekeuze. Ga maar na: fabrikanten willen de goedkoopste en daarmee niet altijd meest duurzame manier om een artikel te produceren, want dan maken zij meer marge en is het product scherp geprijsd en dus aantrekkelijk voor de consument. Dat doen we dus vaak ook: we kiezen voor goedkoop. En die massale keuze is op den duur natuurlijk alleen maar duurkoop. Zo houden we een ziek economisch stelsel in stand dat schade alleen maar verder stimuleert,” aldus Croes.


Eerlijke ongelijkheid?
Hij ging aan de slag en ontwikkelde een nieuw stelsel. Het resultaat werd een systeem waarin bedrijven, standaard naast hun reguliere kosten, ook die kosten doorberekenden die nodig zijn om schade te voorkomen, dus eigenlijk de meerkosten voor een duurzaam product. Het gaat om de 17 doelen die volgens de Verenigde Naties horen bij een duurzame en verantwoorde wereld. Daarin speelt niet alleen het klimaat een rol, maar ook zaken als gezondheid, voldoende en gezond voedsel voor iedereen, geen kinderarbeid, en een factor als eerlijke inkomensongelijkheid.

“Als een directeur van een bedrijf een miljoen verdient, dan vinden we dat zijn laagstbetaalde werknemer een loon zou moeten ontvangen van 40.000 euro”

Het was een huzarenklus voor Croes om alle stappen in ogenschouw te nemen en te kunnen berekenen. “Sommige factoren zijn makkelijker te berekenen dan anderen, zoals schade aan het milieu. Maar hoe berekenen we eerlijke ongelijkheid? En wat verstaan we daaronder? Het is de mate van ongelijkheid in inkomen die in een maatschappij nog steeds als “eerlijk” geldt. Ook daar moest dus een verdeelsleutel op komen. Uiteindelijk kwamen we op een ratio van ongeveer 25. Dus met andere woorden: als een directeur van een bedrijf een miljoen verdient, dan vinden we dat zijn laagstbetaalde werknemer een loon zou moeten ontvangen van 40.000 euro. Anders is er sprake van oneerlijke ongelijkheid en eigenlijk uitbuiting.”

Realistische prijzen, hogere prijzen?
Alle factoren worden in het nieuwe systeem dus meegenomen in de nieuwe prijs. De onderzoeker benadrukt dat real price economy niet tot een hogere prijs voor de consument hoeft te leiden. Volgens Croes is voorkomen beter dan genezen. En schade van tevoren incalculeren en betalen zal voordeliger zijn dan de schade achteraf te moeten herstellen, door bijvoorbeeld een verhoging van belastingen en dergelijke. “De precieze prijzen van al die producten hebben we nog niet, want die moeten de bedrijven zelf gaan berekenen. Daarbij kun je denken aan hoe prijzen van biologische producten zich verhouden tot niet-biologische producten. Niet dramatisch dus. Bovendien zal er in de beginfase van de introductie sprake zijn van een niche-markt, zoals de biologische markt nu ook nog is. Als het stelsel langer is ingevoerd, zullen die prijzen weer omlaag gaan. De reden waarom het niet per se de consument is die hoeft te betalen voor dit systeem is simpel: ik zie een rol voor de overheid om hier een nivellerende rol in te spelen en de belastingen aan te passen voor producten die volgens het nieuwe systeem een prijsberekening hebben gehad en producten die dat nog niet hebben gehad. Dan worden we ook niet beloond voor de verkeerde keuzes.”


“Als consument willen we een gunstig geprijsd artikel. Maar als burger willen we ook een fatsoenlijk menselijk bestaan en ons milieu beschermen”

Consument wil goedkoop, de burger duurzaam
“Je kunt ook nog aan een andere manier denken om de kosten te verdelen. We zijn niet alleen allemaal consument, maar ook burger. Als consument willen we een gunstig geprijsd artikel. Maar als burger willen we ook een fatsoenlijk menselijk bestaan en ons milieu beschermen. Burgers zijn veelal ook aandeelhouders in het bedrijfsleven, ga maar na: als je een pensioenfonds hebt, ben je indirect namelijk ook al aandeelhouder. We willen meestal niet letterlijk een aandeel hebben in andermans misère of de schade aan het milieu door aandeelhouder te zijn, in een bedrijf dat zich hieraan schuldig maakt. En je kunt er als overheid voor kiezen dergelijke aandelen zwaarder te belasten.”

Certificatensysteem en toezicht op real price economy
Het nieuwe stelsel dipt dus niet automatisch met de vingers in de portemonnee van de consument en legt de verantwoordelijkheid voor een duurzame wereld niet alleen bij consumenten, maar ook bij producenten, fabrikanten, leveranciers en transporteurs oftewel: het bedrijfsleven. Voorlopig gaat het trouwens om de hele bedrijfsketen te laten berekenen hoeveel die verborgen kosten van schadepreventie bedragen. Pas als dat loopt, kunnen overheden beslissen deze prijzen wetmatig te bekrachtigen. Croes erkent dat het systeem niet vrijblijvend kan zijn, immers wie controleert er anders of een fabrikant de prijzen wel naar eer en geweten berekent? Een ijzermijnexploitant bijvoorbeeld, kan een hogere prijs voor zijn product vragen, opdat hij zijn mijnwerkers voor een redelijker loon aan het werk kan zetten. Maar hoe groot is de kans dat hij de hogere marge zelf opstrijkt en zijn mensen nog steeds voor een hongerloontje de mijnen instuurt? Met andere woorden, hoe fraude-gevoelig is het systeem? “Dat is inderdaad een gevaar van real price economy en daarom wordt er gewerkt met een certificatensysteem. Eigenlijk werkt dit vrij eenvoudig. In de levensmiddelenindustrie, waar ik vandaan kom, wordt al langer gewerkt met een certificatensysteem. Sterker nog, daar werd al mee gewerkt, voordat de overheid het verplicht stelde. Klanten kunnen zo bewust kiezen voor een gecertificeerd en daarmee aantoonbaar duurzame versie van een product, met de bijbehorende hogere prijs natuurlijk. ”

Duurzaam is de nieuwe normering
Croes heeft zijn ervaring met levensmiddelencertificatie vertaald naar de berekening van duurzame goederen. “Duurzaamheid wordt de nieuwe norm voor een product, net zoals vers en veiligheid al een poosje de normen zijn voor de levensmiddelenindustrie. Daar bestaat een certificatiesysteem dat erin voorziet dat aanbieders van levensmiddelen een garantie willen dat alles vers is, juist is vervoerd, geen troep bevat etc. Dit was in het voordeel van de winkeliers, want die konden op die manier kwaliteit garanderen. Steeds meer bedrijven in die levensmiddelenindustrie gingen dus ook die kwaliteitsnorm hanteren én eisen van hun leveranciers. Die kregen te horen dat als zij niet binnen zoveel jaar met die certificering werkten, er geen zaken meer gedaan werden. De kwaliteitscertificering werd de norm en de overheid sprong daar op in door deze verplicht te maken en toezicht te houden.”

Iedere productiestap heeft een waarde
“Een dergelijk stelsel had ik in gedachten voor een duurzamere economie. Om tot een werkelijke prijsberekening te komen, berekende ik de totstandkoming bottom up. Dus je begint vanaf de mijn- of landbouw en berekent de échte prijs vanaf dat begin, uitgebreid met iedere productiestap, die erbij komt. De certificatie gaat gewoon mee op de productieladder en bedrijven die binnen het systeem werken, weten precies welke duurzame kwaliteiten het product heeft. Het werken met het systeem wordt zo een kwaliteitseis en het bedrijfsleven kan daarmee aan de slag, voordat de politiek zich daar nog mee bemoeit. Al hoop ik wel, dat met overheidsbemoeienis de vrijblijvendheid er van af gaat,” aldus Croes.

Een realistische prijs van goederen, een certificering voor duurzaamheid, een passende wetgeving en een internationaal zakelijk bewustzijn: er moet nog wat water onder de brug voordat we wereldwijd oiconomie kunnen bedrijven. Maar dan hebben we ook wat. En dan hebben we ook allemaal wat meer. En duurzaams natuurlijk.