De eieren hadden – net zoals de eieren van bijvoorbeeld schildpadden – zachte eierschalen.

Tot die verrassende conclusie komen Amerikaanse onderzoekers. Die in dezelfde studie tevens vaststellen dat in de evolutionaire geschiedenis van de omvangrijke familie der dinosaurussen vervolgens op drie verschillende plaatsen de overstap werd gemaakt naar harde eieren.

Zachte schaal
“De aanname is altijd geweest dat het voorouderlijke dinosaurus-ei een harde schaal had,” vertelt onderzoeker Mark Norell. “In de laatste twintig jaar hebben we wereldwijd dinosauruseieren teruggevonden. Maar de meeste ervan zijn afkomstig van drie groepen dinosaurussen: de theropode dinosaurussen, de hadrosaurussen en sauropoden. Tegelijkertijd zijn er duizenden skeletten van Ceratopia (een groep ornithischische dinosauriërs, red.) ontdekt, maar vrijwel geen eieren van deze groep teruggevonden. Waarom zijn hun eieren niet bewaard gebleven? Ik gok dat het komt doordat de eieren een zachte eierschaal hadden en dat tonen we in deze studie ook aan.”


De onderzoekers bogen zich over gefossiliseerde eieren van twee soorten dinosaurussen: een Protoceratops – een plantenetende dino ter grootte van een schaap die tussen 75 en 71 miljoen jaar geleden leefde in wat nu Mongolië is – en een Mussaurus, een plantenetende dinosaurus die tussen 227 en 208,5 miljoen jaar geleden leefde in Argentinië. De onderzoekers analyseerden de eierschalen en vergeleken de moleculaire samenstelling ervan met de eieren van hagedissen, krokodillen, vogels en schildpadden. Op basis van dat onderzoek is er maar één conclusie mogelijk. De eieren van beide dinosaurussen hadden een zachte schaal.

Een gefossiliseerd ei van Mussaurus. Afbeelding: © D. Pol.

Stamboom
Dat bewijst natuurlijk nog niet direct dat dinosauruseieren in beginsel een zachte schaal hadden. Daarvoor moesten de onderzoekers nog een stap verder gaan. Ze bogen zich daartoe over de chemische samenstelling van nog eens 112 uitgestorven en levende familieleden van dinosaurussen en maakten op basis daarvan een stamboom om de evolutie van de structuur van de eierschalen helder te krijgen. De stamboom onthult dat er in de stamboom drie plaatsen aan te wijzen zijn waar dinosaurussen – onafhankelijk van elkaar – harde eierschalen gingen produceren en dat het zeer aannemelijk is dat alle dinosaurussen in beginsel zachte eieren legden.

Gefossiliseerde eieren en embryo’s van Protoceratops. Afbeelding: M. Ellison / © AMNH.

Logischer
“Evolutionair gezien is dit veel logischer dan eerdere hypothesen, aangezien we al een tijdje weten dat het voorouderlijke ei van alle amniota zacht was,” vertelt onderzoeker Matteo Fabbri. Amniota zijn een taxonomische groep van gewervelde dieren, waartoe onder meer vogels en reptielen behoren. Al deze dieren leggen eieren met een vlies – of amnion – dat de embryo beschermt tegen uitdroging. Sommige leden uit deze groep – zoals veel schildpadden en hagedissen – leggen eieren met een zachte eierschaal, terwijl anderen – zoals vogels – juist eieren met een harde schaal voortbrengen. En net zoals bij de amniota blijken nu ook de dinosaurussen dus te zijn begonnen met zachte eieren. “Op basis van onze studie kunnen we nu stellen dat de eerste archosaurussen – de groep waartoe dinosaurussen, krokodillen en pterosaurussen worden gerekend – zachte eieren hadden.”


De ontdekking geeft gelijktijdig wellicht ook iets meer inzicht in hoe dinosaurussen in beginsel met hun eieren omgingen. Omdat zachte eieren gemakkelijker water verliezen en minder bescherming bieden tegen bijvoorbeeld het gewicht van een zware, broedende vader of moeder, stellen de onderzoekers voor dat de eerste dinosaurussen hun eieren niet persoonlijk warm hielden, maar begroeven in vochtige aarde of zand en warm hielden door ze af te dekken met ontbindende planten.