kruising

Op het plein bij de school van biologiedocente Noor Fiers huppelt een bijzondere vogel rond: een kraai met witte vleugels. Hij zou het resultaat zijn van een romance tussen een ekster en een kraai en wordt daarom door docenten bestempeld als een krekster. Klinkt heel aannemelijk, maar dat is het niet. Want als het om kruisingen gaat, houdt de natuur er strenge regelgeving op na, die slechts door enkele soorten gebroken wordt.

Het gebeurde vorige week donderdag. Ik zat in een lokaal achter de computer mijn schooladministratie bij te houden. Tussen het cijfers invoeren en inplannen van de ouderavonden door keek ik naar buiten. En daar zat hij, midden op het schoolplein. De kraai met de witte vleugels. Hij pikte een weggegooide boterham van de stoeptegels, maakte ruzie met een kauw en vloog weer weg. Nu is deze kraai al een tijdje een geliefd gesprek bij ons aan de koffietafel. Een paar collega’s denken dat deze kraai is ontstaan uit een kruising tussen een ekster en een kraai, en dat hij daar de witte tekening aan overgehouden heeft. Een primeur, een ekster die een kraai heeft verleid, de eerste en enige van Nederland! En het beestje heeft zelfs al een naam: de krekster.

Een kruising tussen een varken en een kikker. Afbeelding: via Twitter - @animalmashups.

Een kruising tussen een varken en een kikker. Afbeelding: via Twitter – @animalmashups.

Soortdefinitie
Helemaal vreemd is deze gedachtegang niet. Het komt wel vaker voor dat dieren van verschillende soorten samen nakomelingen krijgen, tegen alle regels van de biologische soortdefinitie in. Biologen, in het bijzonder de taxonomen (degenen die ordening aanbrengen in de enorme diversiteit aan organismen die onze aarde bevolken) denken graag in hokjes. Bij het indelen van organismen is afgesproken dat organismen tot dezelfde soort behoren als ze samen vruchtbare nakomelingen krijgen. Dit houdt dan ook in dat organismen die niet tot dezelfde soort behoren, samen geen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen. In de meeste gevallen lijken dieren zich te houden aan deze afspraak. Er zijn geen kruisingen bekend van de mens met welk dier dan ook, of van bijvoorbeeld een giraf met een neushoorn. Eigenlijk eeuwig zonde, want wat een mooie schepsels zou u kunnen maken als u bijvoorbeeld een muis met een papegaai zou kruisen; of een kikker met een krokodil!

Is het een aap? Is het een vogel? Afbeelding via Twitter - @animalmashups.

Is het een aap? Is het een vogel? Afbeelding via Twitter – @animalmashups.

Buiten het hokje
Er zijn echter gevallen bekend van kruisingen buiten het hokje. Er zijn blijkbaar dieren die out of the box kunnen denken. Dieren die het vreemdgaan tot een hoger niveau tillen en het aanleggen met iemand van een andere soort. Welbekend zijn het muildier en de muilezel; beiden nakomelingen van een paard en een ezel. Of het jong een muildier of muilezel is, hangt af van welke soort zijn vader is. Een muilezel heeft een paardenvader en een ezelin als moeder; een muildier is geboren uit een paardenmoeder en een ezelshengst. In Nederland komen ook regelmatig gapen of scheiten ter wereld. Zoals de namen al doen vermoeden ontstaat deze schattige lammetjes uit de broeierige liefdesaffaire tussen een schaap en een geit. De laatste gaap (van een schapenmoeder en een geitenbok) in Nederland kwam ter wereld in mei 2011 in Flevoland. In het schattige gaapje zijn duidelijk kenmerken van zowel schaap als geit te herkennen. Indrukwekkender is de kruising tussen leeuwen en tijgers. Hieruit ontstaan teeuwen of lijgers. In verschillende dierentuinen op de wereld kunnen deze dieren bewonderd worden. In oktober 2008 zijn er nog drie lijgerwelpen geboren in Italië. Lijgers zijn prachtbeesten. Ze hebben de bouw van een leeuw met een duidelijke leeuwenkop, al zijn ze vele malen groter. Hun vacht heeft vage tijgerstrepen, en mannetjeslijgers krijgen de karakteristieke leeuwenmanen, al zijn deze wat kort. Andere interessante kruisingsproducten zijn de zorse (samentrekking van zebra en horse), de zonkey (een gestreepte ezel)en de cama (een kruising tussen een kameel en een lama). Sommige van deze bijzondere mengsels ontstaan semi-natuurlijk in dierentuinen; andere door inmenging van de mens (bijvoorbeeld door kunstmatige inseminatie).

“Ik ken geen gorilla die bij de aanblik van een rode bavianenkont alles aan de kant gooit om dit vrouwtje te bevruchten”

In het wild
In het wild zult u weinig van deze mengvormen zien. Die biologen zijn dus blijkbaar zo gek nog niet met hun definitie van een soort. Dat er vaak geen nakomelingen zullen ontstaan tussen dieren van verschillende soorten, kan verschillende oorzaken hebben. De eerste oorzaak is dat de dieren niet met elkaar in contact komen, omdat ze simpelweg in verschillende gebieden leven. Zo kan een leeuwin in Centraal Afrika stiekem verlangend dromen over een intiem samenzijn met een stoere kangoeroeman, ze zal hem niet tegenkomen. Ook als dieren wel in hetzelfde gebied leven, maar op verschillende tijdstippen actief zijn wordt voortplanting moeilijk. Als de dieren wel in hetzelfde gebied wonen en ze zijn op dezelfde tijdstippen actief, moet het anatomisch ook mogelijk zijn om te paren. Konijnen en olifanten zijn wat dat betreft geen ideale partners. Bovendien is het herkennen van de partner van belang. Voorafgaand aan de paring laten dieren baltsgedrag zien, dat kenmerkend is voor de soort. Tijdens het baltsen laat het mannetje aan het vrouwtje zien wat zijn intenties zijn (seks!) en hoe geweldig, sterk, viriel en gezond hij is. Het vrouwtje beantwoordt deze gedragshandelingen en laat zo zien of ze op zijn avances wil ingaan en haar kostbare eicellen door zijn zaadcellen wil laten besmetten. De handelingen die horen bij baltsgedrag zijn erg soortspecifiek, en worden door andere soorten vaak niet herkend. Er zijn weinig eenden die opgewonden raken van een mannetjespauw die aanstellerig met zijn staartveren loopt te schudden en ik ken geen gorilla die bij de aanblik van een rode bavianenkont alles aan de kant gooit om dit vrouwtje te bevruchten.

Chromosomen
Blijkbaar verandert de zaak wanneer dieren van verschillende soorten in kunstmatig gecreëerde omgevingen bij elkaar gezet worden. In dierentuinen of op kinderboerderijen vervagen de (soort)grenzen en kunnen de kruisingen wel plaatsvinden. Toch zullen de gapen, scheiten, teeuwen, lijgers, zonkeys en muildieren in de meest gevallen zelf geen nakomelingen kunnen krijgen. Sommige biologen menen dat de oorzaak hiervan gezocht moet worden in de verschillen in chromosomen. Bij verschillende soorten zijn de genen die op chromosomen liggen ook vaak verschillend verdeeld. Daarbij hebben verschillende diersoorten vaak verschillende aantallen chromosomen. Zo heeft een paard 64 chromosomen (32 paar) en een ezel 62 (31 paar). Een kruising tussen deze dieren levert muildieren of muilezels op met 63 chromosomen in elke cel. Eén van de chromosomen in de cel maakt dan geen deel uit van een paar. Dat lijkt geen problemen op te leveren, tot het moment dat er een muilezelgezin gesticht gaat worden. Bij teeuwen en lijgers kan het aantal chromosomen geen rol spelen; cellen van leeuwen en tijgers bevatten namelijk allebei 38 chromosomen (en hun geslachtscellen hebben er 19). Hoe de erfelijke informatie op deze chromosomen verdeeld is, verschilt echter. Deze dieren zijn onvruchtbaar, omdat functionele genen die nodig zijn voor een gezonde nakomeling na bevruchting niet op de juiste manier gecombineerd kunnen worden. Te weinig van het één of juist iets teveel van het ander, het is niet precies duidelijk waar het misgaat. Misschien is dit de manier van moeder natuur om de lange lijst van organismen een beetje overzichtelijk te houden. Allerlei mengvormen tussen verschillende soorten zouden het hokjesdenken maar bemoeilijken.

“Maar hoe zit het met de krekster? Is het inderdaad een primeur?”

Maar hoe zit het nu met onze krekster? Hebben we hier inderdaad de primeur? Eksters en kraaien behoren tot dezelfde familie van de kraaiachtigen, dus misschien herkenden ze iets in elkaar? Misschien is er na een gezellig etentje van weggegooide boterhammen, platgetrapte Liga’s en een restje overgebleven chipskruimels iets moois opgebloeid tussen een kraai en een ekster, ergens achter de fietsenrekken van onze school? Een korte zoektocht op internet geeft al snel uitsluitsel: onze kraai lijdt waarschijnlijk aan een genetisch defect dat leucisme wordt genoemd. Hierbij wordt het pigment dat de veren normaal zwart kleurt niet overal goed vervoert, waardoor witte veren ontstaan. Hierdoor zien sommige kraaien eruit uit wat groot uitgevallen eksters. Ietwat teleurgesteld zet ik de computer uit. Geen krekster, geen primeur, er is niet buiten de lijntjes gekleurd. De soortgrenzen zijn nog steeds bewaakt; de taxonomen kunnen tevreden achteroverleunen. Ze hadden gelijk, de hokjes blijven gehandhaafd.