Onderzoekers hebben aanwijzingen gevonden dat de Maya’s er in hun gloriedagen niet voor terugdeinsden om de zogenoemde ‘tactiek van de verschroeide aarde’ toe te passen.

Over het algemeen wordt aangenomen dat de Maya’s – zeker in vergelijking met de Azteken – niet heel oorlogszuchtig waren. In de gloriedagen van de Maya-beschaving zouden hun oorlogen alleen gericht zijn geweest om het omverwerpen van rivaliserende dynastieën en/of het verkrijgen van koninklijke krijgsgevangenen die vervolgens weer losgeld opleverden. Kortom: wanneer de Maya’s oorlog voerden, had dat vooral een impact op de hogere lagen van de bevolking waarmee zij ook daadwerkelijk in de clinch lagen en niet op de omringende bevolking. Pas veel later, toen de beschaving van de Maya’s door klimaatverandering en droogte in het nauw werd gedreven, zouden ze hun toevlucht hebben genomen tot militaire strategieën waarbij niet alleen de hooggeboren rivaal, maar ook complete steden werden weggevaagd.

Verschroeide aarde
Tenminste: dat dachten we. Een nieuw onderzoek toont nu namelijk aan dat de Maya’s zo’n 1500 jaar geleden, toen hun beschaving een hoogtepunt bereikte, helemaal niet zo relatief vredelievend waren. Amerikaanse onderzoekers hebben in het noorden van Guatemala namelijk aanwijzingen gevonden die suggereren dat de Maya’s tegen het eind van de zevende eeuw een militaire strategie toepasten die ook wel bekend staat als de ‘tactiek van de verschroeide aarde’. Hierbij wordt alles wat voor de vijand ook maar enigszins van nut kan zijn – waaronder akkers – platgebrand. “Deze resultaten verwerpen het idee dat de oorlogsvoering pas veel later heel intens werd,” aldus onderzoeker David Wahl. “Wat zo revolutionair is, is dat we zien hoe de Maya’s al vanaf het begin oorlog voerden,” voegt zijn collega Francisco Estrada-Belli toe. “Het waren niet voornamelijk edelen die elkaar uitdaagden en gevangenen opeisten of opofferden (…) Voor het eerst zien we dat de oorlogsvoering een impact had op de gehele bevolking.”


Meer
Het bewijs daarvoor troffen de onderzoekers aan op de bodem van het meer Laguna Ek-Naab, gelegen in het noorden van Guatemala. Op de bodem van dit meer bevindt zich een 2,5 centimeter dikke laag houtskool die getuigt van een enorme brand in de nabije stad Witzna en omgeving die in geen enkel opzicht te vergelijken is met natuurlijke branden die eveneens hun sporen in de bodemsedimenten van dit meer hebben achtergelaten. Een datering van de houtskoollaag wijst uit dat deze stamt uit de periode tussen 690 en 700 na Christus. Dat is grofweg het hart van de klassieke periode (250 tot 900 na Christus) waarin de Mayasteden hun hoogtepunt kenden. Wat echt opvallend is, is dat de datering van deze immense brand daarmee keurig overeenkomt met een vermelding die teruggevonden is op een stele in de rivaliserende Maya-stad Naranjo. Deze stele meldt dat er op 21 mei 697 sprake was van een ‘brand-campagne’. En de onderzoekers weten vrijwel zeker dat de Maya’s hier verwijzen naar het moedwillig platbranden van Witzna en omgeving. Volgens Wahl is het voor het eerst dat er in de Nieuwe Wereld een verband kan worden gelegd tussen een gebeurtenis waar een geschreven tekst melding van maakt en de daadwerkelijke sporen van die gebeurtenis die in sediment zijn achtergebleven. “In de Nieuwe Wereld zijn er zo weinig oude geschreven bronnen en wat er bewaard is gebleven, bevindt zich vaak op stenen monumenten. Dit is uniek, omdat we erin geslaagd zijn om een gebeurtenis in het sediment te vinden en naar een geschreven bron – hiërogliefen van de Maya’s – te kijken en af te kunnen leiden dat het dezelfde gebeurtenis betreft.”

Stele
Een stele is een stenen tablet of pilaar waarin een gebeurtenis staat uitgeschreven of getekend. De stele die melding maakt van het branden van Witzna (de Maya’s noemde de stad overigens Bahlam Jol) meldt niet alleen dat de stad op 21 mei 697 brandde, maar ook dat dit de tweede keer was. Wanneer de stad voor het eerst in brand werd gestoken, is onduidelijk. Maar de onderzoekers sluiten niet uit dat sporen daarvan ook te vinden zijn in sedimentlagen in het Laguna Ek-Naab. Overigens maakt de stele melding van nog drie ‘branden’, en wel in de steden van Komkom (vandaag bekend als Buenavista del Cayo), K’an Witznal (vandaag bekend als Ucanal) en K’inchil (locatie onbekend). Mogelijk pasten de Maya’s ook hier de tactiek van de verschroeide aarde toe.

Om hun vermoedens wat kracht bij te zetten, togen Wahl en collega’s ook naar de ruïnes van Witzna dat ooit op een plateau aan het Laguna Ek-Naab lag; een meer dat millennia op rij sedimenten afkomstig uit de stad en de omringende akkers, vergaarde. In alle ruïnes die het tegenwoordig in de jungle gelegen Witzna nog kent, troffen de onderzoekers sporen aan die erop wezen dat ze in brand hadden gestaan. “Het lijkt erop dat ze (de Maya’s, red.) de gehele stad in brand hebben gezet,” stelt Wahl. “Vervolgens zien we dat de menselijke activiteit kort daarna enorm afnam, wat suggereert dat de populatie hard getroffen werd. We weten niet of iedereen gedood werd of dat ze simpelweg verhuisden.”

Opeenstapeling van bewijs
Deze ene gebeurtenis in Witzna bewijst natuurlijk nog niet dat de Maya’s gedurende de hele klassieke periode oorlogszuchtig waren. Maar het bewijs daarvoor stapelt zich langzaam op, zo stelt Estrada-Belli. Zo zijn er ook aanwijzingen gevonden voor massagraven en versterkte steden die stammen uit deze klassieke periode, oftewel de gloriedagen van de Maya’s. “We zien vernietigde steden en mensen die zich elders vestigen, vergelijkbaar met wat Rome Carthago aandeed of Mycene Troje.”


Het verandert onze kijk op de ondergang van de Maya’s. Sommige onderzoekers stellen namelijk dat nietsontziende oorlogsvoering na de gloriedagen van de Maya’s bijdroeg aan hun ondergang. Maar als de Maya’s zich daar tijdens de klassieke periode al mee bezighielden, lijkt dat niet aannemelijk. “We moeten opnieuw gaan nadenken over de oorzaken van het ineenstorten van de beschaving, aangezien we met oorlogsvoering en klimaatverandering niet op de juiste weg zitten,” aldus Estrada-Belli.