Religie is een fundamentele levensbehoefte. Mensen hebben een God nodig om diepe betekenis te geven aan hun leven. De god van het Christendom vervulde de meeste menselijke behoeften en werd daarom ‘gekozen’ als ‘ware’ godsdienst. Dat schrijft Selina O’Grady in haar nieuwste boek ‘En de mens schiep God’.

Wereldwijd geloven ruim acht op de tien mensen in een God of meerdere Goden. Ze rekenen zichzelf tot een religie. Met 31,5 procent aanhangers is het Christendom, een religie die veel ‘heisa’ kostte en daarom veel martelaren kent, veruit het populairste geloof. Nog steeds proberen Jehova’s getuigen hun geloofsovertuiging over te brengen wanneer ze op zaterdagmorgen aan uw deur staan met informatieboekjes over de enige ‘ware’ religie: het Christendom. Ergens in geloven gebeurt niet zomaar; daar moet iemand op gewezen worden, mee opgevoed worden of iemand moet zelf op zoek zijn naar de troost die het geloof een mens kan bieden. Wat iemand wel of niet gelooft, kiest hij nog altijd zelf. Selina O’Grady, opgevoed door erg religieuze ouders, kijkt kritisch naar godsdienstigheid waaronder het geloof in het Christendom. Met haar boek En de mens schiep God stelde zij zich de vraag waarom mensen uitgerekend het Christendom kozen in plaats van één van de andere honderden religies die in de tijd van Jezus ‘aangeboden’ werden.

boekcoverselina

Ongeloof
Thuis hadden O’Grady’s ouders een altaar waar zij, haar ouders, broer en zus elke avond voor het slapengaan, gingen bidden. Geloven en bidden is haar dus met de paplepel ingegoten. Toch verloor ze op haar zesde al het geloof in God. “Mijn broer overtuigde me dat God niet kón bestaan: wij hadden God nodig en niet andersom en daarom creëerden we hem. Dat er geen goede God was, begreep ik wel met al dat lijden in de wereld.” Eigenlijk vindt de ongelovige O’Grady het jammer dat er geen God bestaat. Het zou het leven een stuk makkelijker maken. Ze vindt het fascinerend hoe God, die in haar ogen niet bestaat, nog zo’n grote rol speelt voor zoveel mensen in onze hedendaagse, modern-denkende samenleving. Religies overleven de wetenschap. Ze behouden die enorme kracht. “Religie vervult onze behoeften beter dan elk ander alternatief dat onze ‘leiders’ vandaag de dag gebruiken zoals voetbal, de olympische spelen, monarchie, de sterren die we als Hollywood ‘goden’ en ‘godinnen’ zien en de Apple ‘tempels’ zoals de winkels genoemd worden,” zegt O’Grady. Het verbindt en bevredigt, maar een fundamentele betekenis geven aan het leven doet het niet. Vanwege die grote rol die geloof blijft spelen in onze ultramoderne wereld, vindt O’Grady het geloof in een God geen nonsens. “We moeten het serieus nemen of we nu atheïst zijn of niet.”

Levensbehoefte
O’Grady, die filosofie, politiek en economie studeerde aan Oxford University vertelt dus dat geloof ons dingen biedt die we nergens anders uit kunnen halen. En daarom hebben mensen de behoefte aan een religie. O’Grady: “We proberen altijd voor onszelf betekenis te vinden waarom en waarvoor we leven. Het biedt troost want het geeft een levensdoel, vertelt hoe je je moet gedragen en geeft betekenis aan het leven. Bovendien brengt het mensen samen. En dat hebben we nodig: een gemeenschap, een groep, waar je bij hoort en waarbinnen iedereen belangrijk is.”

Het laatste avondmaal van Leonardo Da Vinci. De twaalf apostelen van Jezus waren de eerste volgers die het Christendom zouden verkondigen. Foto: Wikimedia Commons

Het laatste avondmaal van Leonardo Da Vinci. De twaalf apostelen van Jezus waren de eerste volgers die het Christendom zouden verkondigen. Foto: Wikimedia Commons

Goden
Dat antwoord op onze betekenis in het leven was er niet zomaar. Er was niet in één keer iemand die met het idee kwam om te geloven in een God. Mensen wisten niet waarom ze er waren, wat nu eigenlijk de bedoeling was van alles (het leven) en wat er zou gebeuren als ze stierven. “Goden waren een antwoord op de onbekende krachten van de natuur en het lot; ze zouden je wellicht ook kunnen beschermen als je ze ‘omkocht’ met de juiste offers,” vertelt O’Grady. De monotheïstische god gaf iemand ook nog eens het gevoel dat hij geliefd werd en van waarde was. Iemand had een betekenis voor zijn bestaan in de wereld. “Hij beloofde je zelfs een hiernamaals als je je goed had gedragen op de wereld, als beloning.”

Keus voor God
Het is dus vrij duidelijk waarom mensen gingen geloven: het gaf de mens veel duidelijkheid. Maar waarom kiest iemand dan voor het ene geloof en niet voor het andere? O’Grady vertelt dat in de tijd van Jezus, dus zo rond en vooral na het jaartal nul, wel honderden goden bestonden in de beleveniswereld van de mensen. Zo was er de ‘moedergodin’ Isis, één van de belangrijkste godinnen van de Egyptische mythologie. Ze was al bekend door het hele Romeinse Rijk en verder. Ze werd aanbeden door keizers en haar feestdagen stonden al op de Romeinse religieuze kalender. Kooplieden zorgden voor de verspreiding van haar bekendheid. “Als ik in die tijd erom zou wedden, zou ik wedden dat Isis dé religie van het rijk zou worden, nooit de kleine Jezus-cultus. Bovendien was Jezus ook niet de enige die de zieken zou genezen,” zegt O’Grady. Hij concurreerde tegelijkertijd met andere heiligen, genezers en messiassen. Zoals de heiden Appollonius die rondtrok en overal wonderen verrichtte zoals het veranderen van water in olie. Jezus had in het begin maximaal 100 volgers terwijl Appollonius veel succesvoller was. Toch ‘won’ Jezus en zijn Christendom het van al die goden en andere concurrentie. “Dit had denk ik veel te maken met de manier waarop het de behoeften van de machthebbers van die verstoorde tijd vervulde, wat ik zie als de beginfase van de globalisatie. Door de opkomende handel kwamen er duizenden mensen in aanraking met het rijk. Ze lieten hun eigen dorp en gewoonten achter en waren op zoek naar een nieuwe gemeenschap en nieuwe regels waarnaar ze konden leven.” Regels en een gemeenschap die het Christendom beter aanbood dan andere religies.

“Het Christendom vervulde de behoeften van de mens in die tijd beter, dus deed het geloof het ook beter”

Bidden
Andere geloven waren niet ‘mobiel’. Het waren veel plaatselijke religies met volksgoden. Eén God aanbidden was ook moeilijk, want er waren er zoveel. De één was voor rijkdom, de ander voor vrede en weer een ander voor gezondheid. “Er waren veel goden nodig om voor alles wat je wilde te kunnen bidden,” zegt O’Grady. Mensen spreidden als het ware hun winkansen. Een verschil met het Christendom en de ‘almachtige God’ die hierbij hoort, is dat de andere goden en religies iemand niet vertelden hoe zij moesten leven, zich moesten gedragen. Een god voor welvaart vertelde niet dat hij van iemand hield. Het enige wat mensen konden doen, was bidden tot deze goden, vragen om hun wensen te vervullen en offers brengen. Het Christendom was anders. “Het gaf mensen een betekenis om te leven, maar ook liefde en een gemeenschap. Het Christendom vervulde de behoeften van de mens in die tijd beter, dus deed het geloof het ook beter.”

Regels van God

De bijbel staat vol met hoe gelovigen zouden moeten leven, wat goed is en wat slecht. Wie bepaalt deze regels van God? Hijzelf heeft de bijbel en het testament niet geschreven, net zomin als Jezus. Zo zijn er ook meerdere evangeliën die het leven van Jezus op verschillende manieren beschrijven. Wie de ‘regels’ van God, de tien geboden bepaalde, kan O’Grady ook niet vertellen. “Bisschoppen, kerkleiders en kerkvaders ‘vergaderden’ hierover en natuurlijk waren er veel onenigheden. Wie de bestaande ‘regels’ uiteindelijk bepaalden weet ik niet.” Lastig om te bepalen hoe en hoe strikt iemand volgens deze regels zou moeten leven. Volgens O’Grady ligt het probleem dan ook bij hoe de mensen de geboden kunnen interpreteren. “Joden, christenen en moslims maken ‘regels’ op vanuit een tekst. Hoewel alle fundamentalisten zeggen dat hun heilige boek ‘geopenbaarde geschriften’ bevat die letterlijk genomen moeten worden. Maar woorden moeten begrepen worden en daar is nu eenmaal een interpretatie voor nodig.” Zo worden christenen het nu bijvoorbeeld niet eens over wat Paulus’ boodschap over inclusiviteit nu eigenlijk betekent. Reikt deze ook tot homoseksuelen en moet de kerk daarom homohuwelijken loven? Mensen weten niet wat er zo lang geleden precies werd bedoeld met bepaalde ‘regels’.

De staat
“Machthebbers en hun staat hadden een religie nodig en andersom. De machthebbers als hulpmiddel voor vrede: Godsdiensten kunnen beter dan wat dan ook mensen in een gemeenschap verenigen. Tegelijkertijd kunnen religies zich niet beter verspreiden en overleven zonder steun van de staat.” De machthebbers zagen het Christendom wel zitten. Het was namelijk de plicht van een vrome christen om het gezag te gehoorzamen. En armen moesten hun nobele status accepteren, ze zouden compensatie vinden in het hiernamaals. “Het was een prachtig recept voor het maken van een niet-opstandig, gehoorzaam volk,” zegt O’Grady. Het christendom gaf de gehoorzame mensen een liefdevolle God ongeacht waar ze vandaan kwamen, een manier van leven en een nieuwe gemeenschap. “Dit bracht iedereen samen en nam mogelijk het wantrouwen in elkaar weg,” zegt O’Grady. Iedereen was gelijk in Gods ogen.

Paulus de marketeer
Maar zonder Paulus was het nooit zover gekomen vertelt O’Grady. Als het aan Jezus’ broer lag, was het Christendom alleen bedoeld voor joodse mensen. Paulus vond dat het voor iedereen was. Iemand hoefde niet tot een bepaalde familie of volk te horen. Het Christendom had een ‘universele’ God en dat maakte dat er een nieuwe universele gemeenschap ontstond. Andere apostelen vreesden Paulus hierom: hij ging tegen Jacobus, Jezus’ broer, in. Jacobus was de leider van de traditionele/conservatieve apostelen. Paulus die van de radicale/liberale apostelen. Paulus maakte Jezus los van de historische Jezus. “Hij gaf Jezus een restyling en zorgde voor een veel grotere potentiële markt van volgers,” vertelt O’Grady. Uiteindelijk koos zelfs St. Peter, ‘de eerste paus’ voor de ‘radicale’, vernieuwende Paulus. Hij was verkocht, overtuigd van het ‘verkooppraatje’.

Ten slotte moet de kloof tussen een God en burgers groot zijn en blijven om te kunnen geloven. Goden die dicht bij de mens stonden daar keek iemand niet zo tegenop. Voor keizers en andere rijken was deze kloof minder groot dan voor de armen die hun status moesten accepteren. Als Selina O’Grady zelf de eerste eeuw in het Romeinse rijk leefde, zou ze als rijke dan ook net zo sceptisch tegen een god aankijken als nu. “Ik zou hem dan minder nodig hebben, maar wel mijn offers bieden. Als ik arm of ziek zou zijn zou ik het geloof nodig hebben, dus zou ik wel geloven in God.”

‘En de mens schiep God – de wereld in de dagen van Jezus’ ligt vanaf April in de winkels. Bestel het hier.