Is dit het eindstation van onze lange evolutionaire geschiedenis of ligt er meer voor ons in het verschiet?

Miljarden jaren geleden ontstonden de eerste levensvormen op aarde. Ze waren vrij eenvoudig. Maar na verloop van tijd veranderde dat. Onder meer geholpen door een hogere zuurstofconcentratie in de atmosfeer evolueerden sommige van deze eencelligen tot complexere, meercellige organismen. En gaandeweg ontstond zo langzaam maar zeker een breed scala aan organismen: van reptielen tot vogels en van zoogdieren tot insecten. En vrij recent – naar evolutionaire maatstaven dan – ontstonden wij. Dat ging allemaal vrij geleidelijk: zo’n zeven miljoen jaar geleden gingen enkele mensaapachtige organismen rechtop lopen en introduceerden een nieuwe evolutielijn, die in de miljoenen jaren die volgden zeker zo’n 26 soorten zou voortbrengen. Eén daarvan – en de enige die tot op de dag vandaag in leven is – zijn wij: Homo sapiens. We zijn een product van een miljarden jaren durende evolutie. En terugkijkend op die lange evolutionaire geschiedenis is het verleidelijk te bedenken dat we een behoorlijk geavanceerd eindproduct zijn. Maar is dat wel zo? Of evolueren we nog steeds? Evolutiebioloog Nico van Straalen, verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam en co-auteur van het vorig jaar verschenen boek ‘Evolueren wij nog?‘ kan er kort over zijn. “Ja!”

Lastig te onderzoeken
Het kordate antwoord doet vermoeden dat daar al uitgebreid onderzoek naar is gedaan. En dat klopt. Maar dat wil niet zeggen dat dat gemakkelijk gaat, zo legt Van Straalen uit. “Mensen hebben een lange generatietijd, waardoor het niet zo gemakkelijk is om over meerdere generaties te kijken naar selectie (zie kader, red.). Bij andere soorten – zoals bijvoorbeeld insecten of vissen – gaat dat beter, omdat zij een korte generatietijd hebben, waardoor je in een jaar tijd wel vijf tot zes generaties kunt doorkweken of deze in het wild kunt bestuderen. Maar bij de mens is dat dus lastig.” Langlopende onderzoeken – die meerdere generaties beslaan – kunnen uitkomst bieden, maar die zijn schaars. “Een bekend voorbeeld van zo’n studie is de Framingham Heart Study.” Dat Amerikaanse onderzoek loopt al sinds 1948. “Maar beslaat nog nauwelijks drie generaties.”

Natuurlijke selectie is een term die je in dit artikel regelmatig voorbij zult zien komen. Dat is ook niet zo vreemd: het is namelijk één van de drijvende krachten achter evolutie. Natuurlijke selectie houdt in dat organismen die beter aangepast zijn aan hun omgeving en de uitdagingen die deze met zich meebrengt, betere overlevingskansen hebben en dus meer kans hebben om nageslacht op de wereld te zetten. Hierdoor zullen de genen en eigenschappen van deze organismen langzaamaan dominant worden in de populatie (wat weer aangeduid wordt met de bekende term ‘survival of the fittest’).

Levenscyclus
Hoewel het dus niet zo gemakkelijk is om onderzoek te doen naar evolutie onder mensen, hebben onderzoekers de laatste decennia – onder meer geholpen door het feit dat we nu in staat zijn om het complete menselijke genoom in kaart te brengen – verschillende aanwijzingen gevonden dat de mens nog altijd evolueert. Eén van die aanwijzingen dook op in de Framingham Heart Study, zo vertelt Van Straalen. “Binnen dat onderzoek wordt onder meer gekeken naar de leeftijd waarop vrouwen voor het eerst ongesteld worden en de leeftijd waarop ze in de overgang raken. Ook wordt er gekeken naar het aantal kinderen dat vrouwen gedurende hun leven krijgen. Uiteindelijk werd er een verband gevonden tussen de leeftijd waarop vrouwen in de overgang raken en het aantal kinderen dat ze krijgen, waarbij er sprake lijkt te zijn van een positieve selectie op een latere menopauze.” Het betekent concreet dat vrouwen die later in de overgang raken, in het voordeel zijn, omdat ze meer tijd hebben om kinderen op de wereld zetten. Het zorgt ervoor dat deze later in de overgang belandende vrouwen en hun nageslacht langzaam maar zeker dominant worden ten opzichte van hun soortgenoten die vroeg in de overgang raken en veel minder of geen kinderen krijgen. Het resultaat: de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen in de overgang raken, stijgt. Op vergelijkbare manier blijkt er ook sprake te zijn van selectie op de leeftijd waarop vrouwen voor het eerst ongesteld worden. “Deze neemt af; vrouwen die vroeg ongesteld worden, krijgen iets meer kinderen.”

Vaak wordt gezegd dat de lactose-tolerantie zich rap verspreidde doordat mensen melkvee gingen houden. Waarschijnlijk is dat slechts deels waar. “Er zat ook een migratie-component in,” aldus Van Straalen. Hij wijst erop dat er gelijktijdig de nodige volksverhuizingen plaatsvonden. “Waardoor de mutatie zich ook onafhankelijk van het drinken van melk kon verspreiden.” Afbeelding: Couleur / Pixabay

Lactose-intolerantie
En zo zijn er nog meer voorbeelden te noemen van ‘evolutie in uitvoering’. Een bekende is de lactose-intolerantie die een deel van de mensheid langzaam van zich heeft afgeschud. Om lactose af te kunnen breken, heb je een enzym nodig dat lactase wordt genoemd. Maar naarmate mensen ouder worden, zijn ze normaliter minder goed in staat om dit enzym te produceren, waardoor ze in feite lactose-intolerant worden. “Door een mutatie – een foutje in een gen – kunnen sommige mensen toch hun hele leven lactose afbreken.” Waarschijnlijk werden talloze mensen in de geschiedenis op die mutatie getrakteerd, maar pas zo’n 11.000 jaar geleden kregen ze er werkelijk baat bij. Rond die tijd gingen mensen namelijk melkproducerend vee houden en de mensen die de melk van dat vee konden drinken, kregen er plots een belangrijke bron van voedingsstoffen bij, waardoor hun overlevingskansen – en die van hun nageslacht – toenamen. Langzaam maar zeker werden deze lactose-tolerante mensen dominant en vandaag de dag kan het grootste deel van de Europeanen zorgeloos een leven lang melk drinken. Of dat overigens nog lang zo blijft, is twijfelachtig. “Als mensen minder melk gaan drinken – iets wat we nu in Nederland zien gebeuren – kan het zomaar zijn dat die lactasepersistentie weer afneemt.”

“De mensen die nu leven zouden mooier zijn dan de mensen die bijvoorbeeld in de Middeleeuwen leefden”
Blauwe ogen

Een vrij recente mutatie introduceerde de blauwe oogkleur in Europa. En ook die maakte een snelle opmars, doordat mannen al snel een voorkeur voor deze oogkleur ontwikkelden, zo vertelt Van Straalen. “Want deze oogkleur maakt het mogelijk om aan je kinderen te zien of zij van jou zijn, omdat de bruine oogkleur dominant is. Onderzoek heeft dan ook uitgewezen dat blauwogige mannen een voorkeur hebben voor blauwogige vrouwen, omdat de oogkleur van de kinderen dan een indicatie kan geven van het ouderschap en dat is iets waar mannen – evolutionair gezien – enorm op gespitst zijn.”

Partnervoorkeur
Meer aanwijzingen voor het evolueren van de mens vinden we als we kijken naar de partnervoorkeur. “Bepaalde uiterlijke kenmerken blijven stand houden.” Anderen verdwijnen doordat ze – cru gezegd – minder kinderen opleveren. Van Straalen legt uit dat er al veel onderzoek is gedaan naar wat mannen en vrouwen aantrekkelijk vinden. Daaruit is onder meer gebleken dat mannen een voorkeur hebben voor een taille-heupwijdteverhouding van 0,7. Daarmee kiezen ze onbewust voor de meest vruchtbare vrouwen, omdat de taille-heupwijdteverhouding correleert met de vruchtbaarheid van een vrouw. Vrouwen zijn ondertussen gespitst op indicatoren die verband houden met de testosteronspiegel van de man, zoals een lichte borstbeharing. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat mannen – ongeacht hun culturele achtergrond – een zwak hebben voor vrouwelijke schoonheid, terwijl vrouwen het belangrijk vinden dat een man een gegarandeerd inkomen heeft. Bovendien kunnen beide geslachten een hoog intelligentiequotiënt waarderen. “Ook die dingen zijn evolutionair wel te verklaren.” Omdat mannen en vrouwen met de genoemde eigenschappen een grotere kans hebben om een partner te vinden, hebben ze ook een grotere kans op nageslacht, waardoor deze eigenschappen langzaamaan dominant kunnen worden in de samenleving. “Zo zie je dat de intelligentiequotiënt in alle maatschappijen stijgt en daarin speelt natuurlijke selectie waarschijnlijk een rol. Daarnaast wordt ook gezegd dat de schoonheid toeneemt: de mensen die nu leven zouden mooier zijn dan de mensen die bijvoorbeeld in de Middeleeuwen leefden.”

“Met name infectieziekten zijn sterk selecterend”

Ons immuunsysteem
Op vergelijkbare manier beïnvloedt evolutie ook verschillende medisch relevante eigenschappen. Een mooi voorbeeld daarvan is het immuunsysteem, zo vertelt Van Straalen. “Er zijn heel veel genen betrokken bij onze afweer.” Die genen beschermen je tegen allerhande aandoeningen, maar een bepaalde genenset – ook wel genotype genoemd – kan je onbedoeld ook extra vatbaar maken voor bepaalde ziekten. En dat heeft met name grote gevolgen als er sprake is van besmettelijke aandoeningen. “Met name infectieziekten zijn sterk selecterend. Neem bijvoorbeeld de huidige griepepidemie die gelukkig op zijn einde loopt, maar heel lang heeft geduurd. Deze griepepidemie ging gepaard met longontsteking en sommige mensen zijn daar heel gevoelig voor. Die gevoeligheid herbergt een sterke immunologische component, wat betekent dat zo’n griepepidemie als het ware een wiedend effect heeft op bepaalde genotypes. In het geval van de griepepidemie stierven met name veel ouderen, wat evolutionair gezien niet zo’n impact heeft. Maar in ontwikkelingslanden is dat vaak anders. Daar hebben infectieziekten een enorme impact op de kindsterfte, wat betekent dat die kinderen niet volwassen worden en dus zelf geen kinderen kunnen krijgen en hun genotype hard wordt aangepakt. In sommige gevallen kun je die selectiedruk wegnemen door kinderen te vaccineren.”

Wanneer een embryo genetisch wordt aangepast, geeft deze de aanpassingen ook door aan het nageslacht. Hierdoor kunnen erfelijke defecten door modificatie van embryo’s in theorie vrij snel uit de wereld geholpen worden. Afbeelding: Pexels / Pixabay.

Onze evolutie in eigen hand?
Van Straalens laatste opmerking brengt ons bij een interessant vraagstuk. Want de medische wereld heeft de afgelopen jaren grote sprongen voorwaarts gemaakt. Steeds meer ziekten kunnen worden voorkomen of genezen en de laatste jaren wordt er zelfs hard gewerkt aan preventieve of therapeutische ingrepen in het genoom zelf. Nemen we als het om onze eigen evolutie gaat zo langzamerhand het heft in eigen handen? Van Straalen denkt van wel. Als voorbeeld noemt hij de taaislijmziekte (ook wel cystische fibrose genoemd. De ziekte is het resultaat van een genetisch defect en op dit moment is het alleen mogelijk om de symptomen te bestrijden. “Door genetische modificatie van embryo’s zouden we deze ziekte kunnen uitroeien. Het duurt een paar generaties, maar als je dit bij elke drager zou doen, raak je de ziekte kwijt.” En zo zouden we ook andere mutaties definitief achter ons kunnen laten.

De mens evolueert nog volop. En wij zijn geen eindproduct van onze lange evolutionaire geschiedenis. Het roept natuurlijk de vraag op waar het heengaat met onze soort. Zou het bijvoorbeeld kunnen dat er – net zoals in het verleden meerdere mensachtigen opeenvolgend en zij-aan-zij leefden – nog nieuwe soorten mensen ontstaan? “Dat is heel lastig te voorspellen, omdat toevalligheden daarbij een grote rol lijken te spelen en we nog niet goed weten wat er mogelijk is. Maar ik gok dat er met de mens zelf geen grote nieuwigheden te verwachten zijn. En dat komt voornamelijk doordat we al een heel gespecialiseerde soort zijn. Wat je meestal ziet, is dat volledig nieuwe bouwplannen voor compleet nieuwe diergroepen niet uit de fijne takken, maar uit de wortels of stam van de evolutionaire stamboom ontspringen.” Als voorbeeld haalt Van Straalen de zoogdieren aan, die voortkomen uit de reptielen. “Die zoogdieren stammen echter niet af van de hagedissen en de krokodillen, maar van een vroege reptielengroep.” Hetzelfde geldt voor de vogels: zij komen eveneens behoorlijk diep uit de stamboom der reptielen zetten. Geen nieuwe mensensoort dus. Sterker nog: Van Straalen sluit niet uit dat we van de troon worden gestoten. “Het zou kunnen dat Homo sapiens uitsterft en dat er dan op een andere plek binnen de ongewervelde of gewervelde dieren een nieuwe groep ontstaat die uitgroeit tot een intelligent wezen.” Het zijn allemaal speculaties. Temidden ervan staat één ding echter vast: we zullen tot het bittere eind door-evolueren.