Ze liggen al jaren in de clinch: wetenschap en geloof. Maar bestaansrecht heeft dat conflict welbeschouwd helemaal niet, zo stelt onze columniste Eva Mulderberg.

Op de één of andere manier kunnen mensen die twee dingen – wetenschap en geloof – niet met elkaar rijmen. Sterker nog: velen zien het geloof en de wetenschap als twee dappere strijders die al heel wat eeuwen in een verwoede strijd zijn verwikkeld. Waar dat beeld nu precies vandaan komt? Dat weet ik ook niet. Technisch gezien kunnen geloof en wetenschap elkaar namelijk helemaal niet tegenkomen. Het zijn immers twee werelden die zich mijlenver uit elkaar bevinden.

Twee fundamenten
Die enorme afstand tussen geloof en wetenschap ontstaat in eerste instantie door het fundament van geloof en wetenschap. Het geloof ontleent haar kracht uit ‘geloof’. In de Bijbel staat het fraai en krachtig omschreven: ‘Zalig zijn zij die niet zien en toch geloven‘. De wetenschap staat daar haaks op en ontleent haar kracht uit feiten. Die feiten zijn op hun beurt bevestigde hypotheses. Experimenten zijn zo vaak uitgevoerd en hebben zo vaak hetzelfde resultaat opgeleverd, dat we ervan uit mogen gaan dat de hypothese die aan de experimenten ten grondslag ligt, klopt.


Twee landen
Geloof en wetenschap zijn als twee landen die elk hun eigen wetten, regels, munteenheid, taal en cultuur hebben. Het is dan ook volslagen logisch dat de twee lastig met elkaar te rijmen zijn. Beide ‘landen’ ontlenen hun bestaan namelijk aan een andere bron. En wanneer inwoners van die ‘landen’ iets roepen, refereren ze allebei aan een andere bron. Zo kan in het land der wetenschap geroepen worden ‘God bestaat niet’. Dat klopt in dat land: het is namelijk volgens de wetten van het land niet te bewijzen dat God bestaat. In het land der geloof kan er geroepen worden ‘God bestaat’. Want dat is een kwestie van geloof. Beiden hebben in eigen land gelijk. Maar zodra ze de grens overgaan, ontstaan problemen.

Biddende wetenschappers

Een kind vroeg Albert Einstein eens of wetenschappers ook bidden. Zijn antwoord was stellig. “Wetenschappelijk onderzoek is gebaseerd op het idee dat alles wat plaatsvindt, bepaald wordt door de natuurwetten en dat geldt ook voor de acties van mensen. Daarom zal een onderzoeker niet snel geneigd zijn om te gelovigen dat gebeurtenissen door iemand die bidt en dus een wens neerlegt bij een bovennatuurlijk wezen, beïnvloed worden.”

God in de natuur
Vroeger was dat wel anders. In de Renaissance werd onderzoek naar de natuur door gelovigen omarmd. Men ging God zelfs in de natuur zoeken. Wonderen die daar werden aangetroffen, werden als een direct bewijs voor het bestaan van God gezien. Maar al snel begon de wetenschap meer terreinen te beslaan. De astronomen sloegen hun ogen op naar de hemel en zagen daar dingen die in de ogen van gelovigen onmogelijk leken. Zo bleek de zon en niet de aarde opeens het middelpunt van ons zonnestelsel te zijn. En dat was in strijd met het aan de religie ontleende wereldbeeld. Want wie Bijbelteksten als Prediker 1:5 – Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees letterlijk nam, moest toch wel concluderen dat de zon bewoog en de aarde stil stond. En opeens begon de wetenschap de God die het eerder in de natuur vond tegen te spreken. Tenminste: zo vatte de kerk dat op en vele astronomen zijn daar het slachtoffer van geworden. Dat vijandige gedrag heb ik nooit goed begrepen. Zo staat ten eerste nergens in de Bijbel beschreven dat de aarde het middelpunt van het heelal is. En dat in Prediker beweging van de zon gesuggereerd wordt, zegt ook heel weinig. Nog steeds hebben we het over ‘de zon die opkomt’ en ‘de zon die ondergaat’. En daarvoor lyncht de wetenschap ons toch ook niet? Is het dan gewoon een verschil in opvatting? Eentje waar de kerk in het verleden misschien wat wild op gereageerd heeft? Een verschil in opvatting is het in beginsel ook niet. Het zit ‘m in de onderbouwing: daar gaat het mis. De feiten versus een door de kerk losjes op de Bijbel gebaseerd wereldbeeld dat een geloof op zichzelf geworden is. Losjes? Jazeker. In de Bijbel stond dat de zon opkwam en onderging. De kerk leidde daaruit af dat de zon rond de aarde bewoog. De aarde was het middelpunt, zoals het een belangrijke planeet betrof. En dat paste heel goed binnen het scheppingsverhaal, waarin de mens als een kroon op de schepping werd afgeschilderd. Zo’n kroon hoorde toch in het middelpunt van het universum thuis? En zo ontstond een geocentrisch wereldbeeld. Staat dat in de Bijbel? Nee. Geloofden de Christenen het? Natuurlijk. Het is immers een heerlijke gedachte: zo’n universum dat (letterlijk) helemaal om u draait. Het onderuit schoffelen van zo’n wereldbeeld dat binnen de religie een eigen leven was gaan leiden, was een hard gelag.

Impasse
Het heliocentrische versus het geocentrische wereldbeeld is zomaar een simpel voorbeeld. Maar de afgelopen eeuwen zijn er meer botsingen geweest. De evolutietheorie kwam bijvoorbeeld op en ging de strijd aan met het idee van een Schepper. En zo zijn er nog tal van onderwerpen waarover geruzied wordt. Wie er gelijk heeft? Beiden binnen hun eigen landsgrenzen. En daarbuiten? Daar komen we nooit uit. Want zoals het geloof het bestaan van een God niet kan bewijzen, kan de wetenschap niet bewijzen dat God niet bestaat. “Namens al mijn collega’s en voor de tigmiljoenste keer: met behulp van de gewettigde methoden kan de wetenschap eenvoudig niet oordelen over de kwestie van god en diens mogelijk sturende rol in de natuur,” stelt bioloog Stephen J. Gould. “Wij bevestigen noch ontkennen die, wij wetenschappers kunnen daar gewoon geen uitspraken over doen.” En dus belanden we in een impasse. Simpelweg omdat het geloof en de wetenschap op twee totaal verschillende gebieden opereren: het brein versus het hart.

Moeten de twee zich dan beperken tot hun eigen terrein? Dat is absoluut onzin. Geloof en wetenschap bijten elkaar immers niet. Ze hebben alleen elk hun eigen regels. “Ik zie geen conflict tussen wetenschap en religie,” stelt professor Martin Rees. “Ik ga, net als vele andere wetenschappers, naar de kerk. Ik deel een gevoel van mysterie en bewondering voor het universum met religieuze mensen. (…) Enkele laatste vragen liggen buiten de wetenschap.” Laten we het geloof en de wetenschap opnieuw even vergelijken met twee verschillende landen. Ze hebben elk hun eigen munteenheid. In land A betalen met de munten uit land B: dat werkt niet. U krijgt geen brood voor uw munten. Hooguit wat verwerpende blikken. En datzelfde geldt als u in land B met munten uit land A probeert te betalen. Een kleine aanpassing is gevraagd wanneer u uit land A komt en land B binnengaat. Dat ligt gevoelig: zowel voor wetenschappers als voor gelovigen die hun eigen overtuigingen niet graag afvallen. Maar dat hoeft ook niet. Door geld te wisselen, wordt u geen landverrader. Het is eerder een teken van respect en bovenal een manier om ook buiten de grenzen te functioneren. Want wanneer wetenschappers zich op het terrein van het geloof bevinden, dienen ze dat met respect te doen. Net zoals gelovigen respect dienen te hebben voor de wetenschap. Gelovigen moeten hun angst voor de ‘grote boze wetenschap’ die elk moment hun geloof kan ondermijnen, loslaten. Zoals een slager geen concurrentie is voor de bakker, kan het geloof – een zaak van het hart – toch nooit door een zaak van het brein verstoten worden? (Daarom heeft creationistische wetenschap – met wetenschap proberen te bewijzen dat de Bijbel klopt – mijns inziens dan ook geen bestaansrecht). De wetenschap moet tegelijkertijd stoppen om gelovigen als ‘naïef’ af te schilderen. Met diep respect kunnen we een conflict dat eigenlijk geen bestaansrecht heeft, in de kiem smoren. En misschien helpt het om daarbij niet alleen de verschillen te respecteren, maar tegelijkertijd de overeenkomsten te benadrukken. Want uiteindelijk zijn zowel gelovigen als wetenschappers maar op één ding uit: ontdekken hoe de wereld in elkaar steekt en welk plekje en welk doel wij allen persoonlijk daarin vervullen.