Het is weer juni: de maand van de Hollandse Nieuwe. Een mooi moment om eens in de culturele geschiedenis van de haring te duiken!

Al vele eeuwen is haring één van onze vele soorten voedsel. We eten het op vele verschillende manieren, al dan niet in combinatie met andere voedingsmiddelen. In vroegere eeuwen was het relatieve belang van haring – en van sommige andere zeevissoorten – in Europa groter dan tegenwoordig. Haring was populair omdat het in gezouten vorm lang houdbaar was, waardoor het ook belangrijk volksvoedsel was in het diepe binnenland. Haring en andere houdbare vissoorten waren een belangrijke bron van eiwitten, in tijden dat vlees erg duur was voor arme mensen – mede doordat de jacht op wilde dieren in de meeste landen was voorbehouden aan de adel. Katholieke burgers waren meestal goede viseters, daartoe aangemoedigd door hun priesters. Aanvoerders van huurlegers kochten vaak gezouten vis voor hun mannen.

Haring: voor sommigen een delicatesse.

Haring: voor sommigen een delicatesse.

Haring op een stok en ‘heringbiete’
Het is niet verwonderlijk dat er vele haringtradities bestaan. We kennen allemaal de traditie van de “Hollandse Nieuwe”, meestal in de eerste helft van juni, wanneer de eerste, jonge haring van het seizoen wordt binnengebracht, in Scheveningen. De “Hollandse Nieuwe” wordt ook wel “maatjesharing” genoemd, een verbastering van “maagdenharing”, omdat het jonge haringen zijn die zich nog niet hebben kunnen voortplanten. Haringtradities bestaan niet alleen in de kustgebieden, maar ook in het binnenland, bijvoorbeeld als volksmedicijn of als het symbool voor het vasten. Zo wordt in Limburg na carnaval op Aswoensdag aan “heringbiete” gedaan en eet men ’s ochtends haring. In Schwaben (Duitsland) is het een volksgebruik om haring op een stok te dragen.

c. 1300-c.1550: De zoute haringen van de Oostzee zijn gewild in heel Europa
Al in de late Middeleeuwen was de haringvangst van groot internationaal belang. Een groot deel van de handel was in handen van kapitalisten in de Hanzesteden in het Oostzeegebied. Daar had men al omstreeks 1300 verstand van het “kaken” en verzouten van haring. De zoute haring kon wel een jaar eetbaar blijven, en werd dan ook naar andere gebieden verkocht. Het zout kwam vaak uit Lüneburg, ongeveer 50 kilometer ten zuidoosten van Hamburg. We lezen in het klassieke geschiedenisboek van J. de Rek, Van Hunebed tot Hanzestad, over de haringpraktijken in de Hanzesteden in het Oostzee gebied:

“Als de volle boten aanvoeren stonden de kakers al gereed. Ze pakten de vis, zo uit zee, bij de kop en sneden met één handbeweging de bederfelijke ingewanden eruit. De vrouwen legden ze in de “kaak”, de ton. Een laag haring en een laag zout erop, dat drong diep op de open vissen in. Weer een laag haring, weer een laag zout. Het moest vlug gaan, want de mannen die de tonnen naar het pakhuis rolden draafden af en aan. Bovendien werden de vrouwen per kaak betaald. Soms stopte een pakster enkele grote stenen tussen de vis. Dan was de ton gauwer vol. Maar het was een riskant bedrog. Werd ze betrapt dan hing ze dezelfde avond nog aan de galg. Omdat ze de goede naam van haar meester had kunnen schaden.”

In diezelfde tijd – rond 1300 – vingen de Hollanders, met hun kleine bootjes, haring voor de Schotse oostkust, waar ze vaak met Schotten moesten knokken om de beste plekken. Zout hadden ze niet, en dus was de haring nog verkoopbaar in de thuishaven, en misschien nog 150 kilometer landinwaarts, langs steden aan de grote rivieren, maar dan hield het ook op. Vanaf omstreeks 1500 veranderde de situatie. De haring in de Oostzee raakte op – door overbevissing of door een migratie van de visjes zelf – en de haring uit de Noordzee werd steeds belangrijker. Hollanders, Zeeuwen en Vlamingen namen het verzouten en verhandelen steeds meer over van de Hanzesteden in het oosten. Er werd al snel een speciaal soort vissersboot ontworpen, de haringbuis, buikige bootjes die langzaam voeren maar wel veel laadruimte hadden, voor het zout, de haring en de ongeveer twintig mannen; zoveel mannen waren niet nodig voor het zeilen, maar wel voor het kaken en verzouten. In het voorjaar werden de buizen gebruikt voor de haringvangst, die vaak rechtstreeks naar Vlaanderen of Engeland werd gebracht. In de winter werden de buizen gebruikt voor platvisvangst vlak onder de kust.

Een haringbuis. Tekening: J. van den Brink, Rotterdam (via Wikimedia Commons).

Een haringbuis. Tekening: J. van den Brink, Rotterdam (via Wikimedia Commons).

c. 1580-c. 1700: opkomst van Holland en Zeeland, mede dankzij haring
Omstreeks 1580 – tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) tegen Spanje – hadden Holland en Zeeland samen ongeveer 1.500 haringbuizen, waarmee doorgaans lucratieve vangsten werden verricht. Het is dan ook geen wonder dat de beruchte Duinkerker kapers, in dienst van de Spaanse koning, jacht maakten op de bootjes. De admiraliteiten van Holland en Zeeland reageerden door haringvloten te “konvooien”, ofwel beschermen, met oorlogsschepen, maar het liep wel eens verkeerd af. In 1635, bijvoorbeeld, werden veel Zeeuwse en Hollandse haringbuizen buitgemaakt of vernietigd door de Duinkerker kaper Jacob Colaert, midden op de Noordzee. Veel vissers werden gegijzeld voor losgeld, wat aanleiding gaf voor opstanden in de vissersdorpen. Diverse commandeurs en kapiteins van de Hollandse en Zeeuwse admiraliteiten kwamen in moeilijkheden, omdat ze gefaald hadden in het beschermen van de vissersvloot. Ook in andere oorlogen waren de haringbuizen niet veilig. Een extreem voorbeeld deed zich voor tijdens de Spaanse Successieoorlog (1701-1713); op 22 juni 1703 verbrandden Duinkerker kapers een vloot van 160 Noordhollandse haringbuizen bij de Schotse Orkney Eilanden. De Duinkerkers vernietigden bovendien twee van de vier begeleidende Hollandse oorlogsbodems en maakten een derde buit; slechts één Hollandse oorlogsbodem wist te ontkomen.

Een zestiende eeuwse haringbuis. Afbeelding: J.Porcellis (via Wikimedia Commons).

Een zestiende eeuwse haringbuis. Afbeelding: J.Porcellis (via Wikimedia Commons).

De haringvangst: valt het mee of valt het tegen?
In elk seizoen kunnen haringvangsten zowel extreem hoog als extreem laag zijn. Waterdichte wetenschappelijke verklaringen zijn er niet altijd, maar het is ongetwijfeld een combinatie van tijdelijke klimaatveranderingen, ecologische veranderingen, overbevissing of veranderingen van de paaiplaatsen en migratieroutes van de haringen zelf. Niet zelden kwamen vissersdorpen of hele kuststreken tot bloei dankzij goede haringvangsten; maar even vaak leidden slechte haringvangsten tot armoede en verval. In de volgende alinea’s volgen twee van de vele dramatische voorbeelden in noordwest Europa. Het is niet zo verwonderlijk dat er legenden bestaan, die stellen dat slechte vangsten moeten worden beschouwd als “straffen van boven”. In de laatste alinea’s bespreken we enkele legenden van goede en slechte vangsten in de Noordzee.

Haringvoorspoed in noordwest Ierland, 1783-1784
In de winter van 1783/1784 bedroeg de geldwaarde van de haringvangst in het noorden van het graafschap Donegal, in noordwest Ierland, niet minder dan ongeveer 40.000 Britse ponden. Eenzelfde bedrag werd ook behaald in het daaropvolgende seizoen. De landeigenaar, de markies van Conyngham, rook winst, en startte daarom een groot project op het kleine eiland Inis Mhic an Doirn, of Inishmacdurn, met de bouw van woonhuizen, pakhuizen, postkantoor en kustwachtstation. De totale investering bedroeg zo’n 60.000 Britse ponden, waarvan een deel overheidsgeld, waarvoor Conyngham effectief had gepleit in het Ierse parlement. Het eiland werd een complete stad, genaamd Rutland, naar de toenmalige gouverneur van Ierland, de hertog van Rutland; de Engelse naam voor het eiland is nog steeds “Rutland”. Conyngham stichtte ook het havenplaatsje Burtonport op het nabije vasteland, en liet vanuit daar wegen aanleggen naar het binnenland. Helaas vielen de haringvangsten tegen, tot de haringen in 1793 zelfs geheel wegbleven. In latere jaren kwamen de haringen terug, maar nooit meer met de aantallen waarop Conyngham had gehoopt. Tegenwoordig kunnen toeristen de vele ruïnes op het onbewoonde Rutland bewonderen.

Overblijfselen van Conynghams ambities op Rutland. Afbeelding: Malcolm Hurley Mills (via Wikimedia Commons).

Overblijfselen van Conynghams ambities op Rutland. Afbeelding: Malcolm Hurley Mills (via Wikimedia Commons).

Haringvoorspoed in Siglufjörður in IJsland, 1903-1950
In 1903 kozen maatschappijen uit Noorwegen het dorpje Siglufjörður, aan de noordkust van IJsland, als centrum voor hun haringindustrie. De lokale laaggeschoolde mensen die voor de Noren gingen werken, kregen voor het eerst van hun leven loon in geld uitbetaald, en konden zich emanciperen – tot ongenoegen van lokale herenboeren en andere lokale welgestelden! De Noren bouwden ook diverse grote gebouwen, niet alleen voor de visverwerking, maar ook voor het eerst een ziekenhuis. Er kwam elektriciteit voor het gewone volk, en beter onderwijs voor de kinderen, en het stadje kreeg als bijnaam “Klondike van de Atlantische Oceaan”! Omstreeks 1950 was het inwonertal gestegen tot 3.100, maar vanaf toen ging het weer naar beneden, want er kwamen steeds minder haringen in de netten – onvermijdelijk na zoveel jaren van overbevissing! In 1968 was het hele haringavontuur ten einde. Tegenwoordig heeft het stadje slechts 1.200 inwoners, en zonder de recentelijk verbeterde wegen naar het zuiden – met tunnels door de bergen – zouden er nog minder zijn.

Legenden over haringen rond Helgoland
De bevolking van het rotseiland Helgoland – sinds 1890 behorend tot Duitsland – heeft vele goede en slechte haringvangsten gekend, die aanleiding hebben gegeven tot minstens twee legenden, die betrekking hebben op 1650 of eerder. Volgens één van die legendes waren de haringen ooit zo overvloedig, dat de vrouwen en meisjes tonnen zout nodig hadden om al die kostbare visjes te verwerken. De haringen zwommen zelfs de dorpsstraat binnen. Totdat een domme oude vrouw, die al haar zout had opgebruikt, de visjes met een bezem terug naar zee stuurde. Dat had ze niet moeten doen, want vanaf toen bleven de haringen weg.

Helgoland rond 1900. Afbeelding: via Wikimedia Commons.

Helgoland rond 1900. Afbeelding: via Wikimedia Commons.

Volgens een andere legende was de voormalige overvloed aan haringen te danken aan een heilig kruisbeeld, dat op een dag in het vroege voorjaar rond het eiland werd gedragen in een plechtige processie. Maar eenmaal, toen de processie nog maar half voltooid was, schreeuwde een man dat de haringen in zicht waren. De drager van het kruisbeeld liet het beeld vallen, waardoor het in stukken brak. De drager en de andere mannen renden naar hun boten om de kostbare vissen te vangen. Enkele goede vrouwen brachten de scherven van het kruisbeeld terug naar de kerk, hopend dat de gevolgen beperkt zouden blijven. Maar helaas, de haringen kwamen niet meer terug, als straf voor de heiligschennis.

Legenden over haringen met striemen bij Ameland en Noord-Holland
In het boek door Waling Dykstra, “Uit Friesland’s volksleven”, 1895-1896, lezen we een legende die omstreeks 1850 door Dykstra was “ontdekt”, over gestriemde haringen:

“Op het strand van Ameland was oudtijds de haring zoo overvloedig, dat men die visch soms bijna met de hand kon vangen. Maar dit maakte zachtjes aan de inwoners weelderig en zorgeloos. Zij vonden eindelijk dien overvloed van haring lastig en geeselden de diertjes met rijsjes om hen te verdrijven. De haring verdween en kwam nooit terug, en dit heeft veel armoede op het eiland veroorzaakt. Nu worden er door de visschers nog wel eens haringen gevangen met striemen op het lijf.”

Net als bij de verhalen uit Helgoland, zien we hier een voorbeeld van “collectieve straf” voor het nonchalant omgaan met een overvloed van haring. In 1907 en 1908 publiceerde de arts en verhalenverzamelaar Cornelis Bakker twee andere volksverhalen over gegeselde haringen, gevangen door Hollanders in de Zuiderzee (het tegenwoordige IJsselmeer). In één van die twee verhalen, afkomstig uit Uitdam, wordt beweerd dat de gestriemde haringen “een waar wonder Gods” zijn, want “het is een soort haring, langer dan het gewone soort, ze hebben strepen en geen hom of kuit, dus hoe is het gosmogelik dat ze voorttelen?”
In het boek “Legenden langs de Noordzee” uit 1934 lezen we een legende over haringen rond Texel. Volgens die legende zouden de Texelse vissers ooit ongelofelijk grote haringen hebben gevangen, waardoor de vissers te lui en gemakzuchtig werden; als “straf” namen de haringen vervolgens weer hun gewone omvang aan.

Alex Ritsema (1963) is in 1987 afgestudeerd als econoom en statisticus aan de Universiteit van Groningen. Sinds 1989 werkt hij in Deventer op Saxion Hogescholen – maar dat heeft weinig te maken met één van zijn grote hobby’s: het bezoeken en bestuderen van kleine eilanden, overal ter wereld. Hij heeft enkele Engelstalige boeken geschreven over eilanden en maritieme geschiedenis. Zijn eilanden-website is www.aworldofislands.com.